Zaterdag, 2 december 2006 - Het huidige Nederlandse onderwijs slaagt er niet meer in de positie van grote groepen in de samenleving te vebeteren. Er zit zand in de emancipatiemotor. Jan Marijnissen en Ralph Hanzen komen met een plan van aanpak.
Begin vorige eeuw was het een kleine groep burgers die op basis van afkomst
een grote maatschappelijke en economische voorsprong had op de massa. De
invoering van de leerplicht en het algemeen stemrecht veroorzaakten begin
twintigste eeuw een emancipatiegolf en leidde tot een ongekende
welvaartsgroei. Het toegankelijk maken van onderwijs voor brede lagen van de
bevolking was daarbij cruciaal. Het huidige Nederlandse onderwijs slaagt er
niet meer in de positie van grote groepen in de samenleving te verbeteren.
Plaats dit in de context van de sterker en concurrerender wordende
Aziatische en Oost-Europese economieën en de noodzaak tot handelen is
evident.
De veranderingen in het onderwijs van de laatste veertig
jaar strooien zand in de emancipatiemotor. De didactiek die hierbij wordt
opgelegd, Het Nieuwe Leren (HNL), werkt segregatie in de hand. De overheid
heeft als taak dit proces te stoppen en moet de macht weer opeisen die nog
maar onlangs aan schoolleidingen en -besturen is afgestaan. Op deze manier
kunnen we voorkomen dat grote groepen straks slachtoffer worden van een
maatschappelijke tweedeling in een globaliserende economie.
HNL
maakt leerlingen zelf verantwoordelijk voor hun leervragen, leerdoelen en
leerroutes. Jongeren van dertien jaar oud moeten zelf bepalen wat nuttig is
om te leren, ze moeten zelf vaststellen wat een voldoende eindniveau is en
ze moeten zelf bepalen hoe ze denken zich kennis en vaardigheden eigen te
maken. HNL legt een zwaar accent op vaardigheden en competenties. Het
inhoudelijke kennisniveau van de leerling is hieraan ondergeschikt. De
leraar staat buitenspel en mag alleen coachen en begeleiden.
Moderne leerlingen zouden niet meer in staat zijn te leren uit een boek of
langer dan tien minuten naar een verhaal te luisteren. Leren samenwerken en
het bekwamen in het schrijven van gezamenlijke verslagen wordt hoog
aangeslagen.
Dat het vervolgonderwijs een steeds lager
instroomniveau signaleert, wordt genegeerd. Vooral de massaal uitvallende
vmbo’ers hebben last van deze aanpak. Zij hebben recht op een perspectief
dat verder reikt dan dat van hun eigen kringetje. HNL wijst leerlingen juist
op hun beperkingen, met desinteresse en slechte motivatie tot logisch gevolg.
Vmbo-scholen moeten jaarlijks minstens 1040 klokuren les te geven. Slechts 7
pct. van de scholen voldoet hieraan. De Wet Beroepen in het onderwijs staat
toe dat de lessen gegeven worden door goedkope onderwijsassistenten of dat
de economiedocent Frans geeft. HNL stelt geen prijs op hoogopgeleide
docenten: zij zijn relatief duur, vaak kritisch en willen meer dan coachend
jeugdwerk.
Zo’n 30 pct. van de lessen wordt verzorgd door onbevoegde leraren, die voor
30 pct. van hun tijd bezig zijn met niet-lesgevende taken. Deze uitwassen
ontstaan doordat de overheid zich terugtrekt uit het onderwijs. De macht
ligt nu bij managers met de neiging van achter het bureau te kijken naar
rendementscijfers, in- en doorstroomgegevens en minder naar wie er voor de
klas staat: als er maar iemand staat. We zien een tendens van groeiende,
traditionele privé-scholen en bijlesinstituten doen steeds betere zaken. Het
zal duidelijk zijn dat deze dure vluchtroutes voor velen geen optie zijn.
Onlangs is aangetoond dat het succes van leerlingen vooral wordt voorspeld
door de vooropleiding van de docent. Sociale samenstelling en grootte van de
groep of ervaring van de leraar doen nauwelijks ter zake. Leraren moeten als
autonome personen hun voorbeeldfunctie vormgeven. De huidige grootschalige
inrichting van scholen en de massale keuze voor een holle didaktiek maken
dat lastig. De Nederlandse hbo-lerarenopleidingen leiden leraren op tot
coach en begeleider.
Diploma’s leveren geld op en de curricula
worden zonder morren aangepast aan het dalende niveau van de instroom. Een
hoogopgeleide docent is in staat de leerlingen uit hun eigen beperkte
leefwereld te verheffen en perspectief te bieden. Juist vmbo-leerlingen die
bij uitval per definitie problemen krijgen in de arbeidsparticipatie hebben
daar recht op. In dat licht mag beleidsmakers
verwaarlozing van
talenten en het in de hand werken van segregatie verweten worden.
De macht van schoolbesturen en schoolleidingen moet drastisch worden
beperkt. Schaalverkleining en inhoudelijke overheidscontrole zijn
noodzakelijk om kwaliteit te waarborgen. De taken van het management moeten
daarom gereduceerd worden tot louter faciliterende. De oneigenlijke macht
van processturing wordt zo weggenomen. Hbo-lerarenopleidingen moeten zich
veel sterker richten op vakinhoud, zodat de huidige verschillen tussen
eerstegraadsleraren kleiner
worden en het niveau hoger.
Uiteindelijk zijn met deze maatregelen de leerlingen geholpen, doordat zij
op grond van een stevige basis zelf werkelijke keuzes kunnen maken. Laten we
de emancipatiemotor met grote haast een kwaliteitsimpuls geven. Dat helpt de
leerling van nu en de werknemer van later.
Jan Marijnissen is
fractievoorzitter van de Socialistische Partij in de Tweede Kamer, Ralph
Hanzen is bestuurslid van de vereniging Beter Onderwijs Nederland.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties











