Is het ervaren van geluksgevoel erfelijk bepaald? Voor een aanzienlijk deel wel, blijkt uit tweelingenonderzoek van de Amsterdamse psychologe dr. Meike Bartels. Met behulp van positief denken of andere goede voornemens is gelukkig zijn wel een beetje te oefenen, maar niet erg veel en ook niet langdurig. ’De ene persoon is gewoon negatiever en minder gelukkig dan de andere.’
Wat geluk precies is, is moeilijk te omschrijven. Het verschilt per persoon. Toch weet iedereen wat ermee wordt bedoeld: een positieve gevoelsbeleving, een prettige uitschieter die meestal van korte duur is. Want permanent gelukkig zijn er maar weinig.
„Geluk is een gevoel en mensen verschillen op dat vlak van elkaar. De één voelt zich gelukkiger dan de ander. De oorzaken van deze individuele verschillen in geluksbeleving kun je bestuderen met behulp van tweelingonderzoek”, zegt Meike Bartels, werkzaam bij de afdeling Biologische Psychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Bartels, in 2003 gepromoveerd op onderzoek naar gedragsproblemen en erfelijkheid bij jonge tweelingen, put voor haar onderzoekswerk uit de bijna onuitputtelijke stroom gegevens van het Nederlands Tweelingen Register. Deze wereldwijd unieke database is in 1987 bij haar afdeling opgezet. Bij tweelingen kun je erfelijke invloeden en omgevingsinvloeden op gedrag uit elkaar halen.
Dat kan, zegt Bartels, doordat je de overeenkomsten in bijvoorbeeld gedrag van een eeneiige tweeling vergelijkt met die bij een twee-eiige tweeling. „Een eeneiige tweeling is genetisch identiek, terwijl een twee-eiige gemiddeld maar de helft van het erfelijk materiaal deelt.”
Bijna de helft van alle tweelingen in Nederland (of hun ouders) doet aan het landelijke onderzoek mee. Zij vullen elke twee jaar vragenlijsten in op het gebied van leefgewoonten, gezondheid, persoonlijkheid, gedrag et cetera. Bartels en haar collega’s kunnen daardoor putten uit een zee van wetenschappelijke gegevens. Die moeten inzicht geven in bijvoorbeeld het verband tussen depressie en bloeddruk, het verband tussen hormonen en intelligentie en de rol van genen bij onder andere geluk en welzijn.
„Uit dit register zijn zoveel gegevens te halen, dat je bijna niet weet waar je moet beginnen.” Eén van de spin-offs is het pas gestarte vervolgonderzoek naar erfelijkheid van geluk en welbevinden. „Want waarom zou je niet ook kijken naar de positieve kant? Misschien levert dat iets op om kinderen die niet gelukkig zijn, te helpen. Er is bijvoorbeeld vaak gekeken naar de reden waarom mensen gaan roken. Maar de vraag waarom mensen níet gaan roken, is even interessant. Dat kan informatie opleveren waarmee je juist bepaalde groepen kunt helpen. Als zou blijken dat kinderopvang of sport kinderen gelukkig maakt, zou het mooi zijn om daar meer geld aan uit te geven.”
Bij volwassenen blijkt het verschil in geluk en welbevinden voor ongeveer 50 procent erfelijk bepaald. Bartels verzamelt nu de gegevens hierover van tweelingen die nu veertien, zestien en achttien jaar zijn. Op een schaal van nul tot tien konden zij aangeven hoe gelukkig zij zich voelden. De scores van eeneiige tweelingen lijken meer op elkaar dan die van twee-eiige. Dit is volgens Bartels een eerste aanwijzing voor de invloed van erfelijkheid op geluk. De volgende stap is om te achterhalen waaróm sommigen ongelukkiger zijn dan anderen. En of zaken als sporten of roken daarop van invloed zijn.
Volgens Bartels wordt ten minste 50 procent van de verschillen in gedrag van tweelingen veroorzaakt door erfelijke aanleg. De rest van de verschillen komt door de opvoeding, de buurt, leefstijl en ‘unieke omstandigheden’. Eén van de twee wordt bijvoorbeeld in het ziekenhuis opgenomen, of eentje zit op hockey en de andere voetbalt. Dat zijn unieke, individuele ervaringen die kunnen maken dat de een zich iets anders voelt of gedraagt dan de ander.
„Je kunt het beleven van geluk dus wel een beetje verder ontwikkelen, maar niet heel veel of langdurig. Als je van nature ongelukkig bent, kun je door trai- ning helaas niet ineens veel gelukkiger worden. De een is gewoon minder gelukkig dan de ander. Je kunt mensen wél leren beseffen waarom ze zich zo voelen.”
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties











