UTRECHT (ANP) - De opkomst van het christendom in Rome en omgeving heeft niet geleid tot een verbetering van de gezondheid van de bevolking. Die conclusie trekt archeologe Constance van der Linde in haar proefschrift, waarop ze 8 februari aan de Universiteit Utrecht promoveert.
Van der Linde onderzocht de menselijke resten uit de vierde eeuw na Christus in de befaamde St. Callixtuscatacomben aan de Via Appia ten zuiden van Rome en vergeleek de resten van de daar bijgezette christenen met skeletten uit dezelfde tijd. Haar onderzoek geldt als vernieuwend, omdat de menselijke resten in catacomben nog nooit goed zijn onderzocht. Haar voornaamste doel was meer helderheid te verkrijgen over de gemiddelde levensverwachting, de gezondheidstoestand en het dieet van de Romeinse burger uit de vierde eeuw.
De meeste mensen stierven tussen 20 en 30 jaar, stelde Van der Linde vast via onder meer het tellen van jaarringen in de tandwortel. Slechts een enkeling haalde de 60 jaar of ouder. In de kindertijd was het leven instabiel, zoals Van der Linde kon vaststellen aan de hand van de onvolkomen ontwikkeling van het glazuur van de tanden en kiezen. Uit een analyse van de beenderen kon Van der Linde afleiden dat de mensen veel riviervis aten.
























