ARNHEM (GPD) – Nederland bleef in de vroegste jaren van de televisie voor hem thuis: Pierre Janssen, journalist, conservator, directeur van de kunstacademie Rotterdam en museumdirecteur in Arnhem, maar bovenal onvergetelijk als presentator van het AVRO-programma ’Kunstgrepen’.
Janssen (19 september 1926 - 27 oktober 2007) is naar nu pas bekend is geworden, vorige week zaterdag overleden. Hij werd 81 jaar oud.
Janssen was de eerste presentator die kunst uit de ivoren toren haalde. Ook wie zelden naar zijn programma keek, zal de verschijning van deze uitzonderlijke didacticus – zoon van een ulo-leraar in Arnhem - moeiteloos op het netvlies krijgen. Met zijn onmiskenbaar karakteristieke stemgeluid onderstreepte Janssen zijn presentatie met handgebaren, die deden denken aan een vlucht nerveuze zwaluwen. Ook de rest van zijn meer dan twee meter lange gestalte liet hij tot in de kleinste vezels meebewegen.
’Kunstgrepen’ werd uitgezonden van 1959 tot 1972 en Janssen werd er samen met regisseur Leen Timp al in 1961 voor onderscheiden met de - eerste - Zilveren Nipkowschijf. In het juryrapport prees het Gezelschap van Televisiecritici Janssen om de ’oorspronkelijke didactiek’ waarmee hij kunst toegankelijk maakte en vermenselijkte: ’Niet in het minst dankzij zijn originele persoonlijkheid kreeg ’Kunstgrepen’ een geladenheid die een waarborg was voor contact met de kijker, voor communicatie in de breedste zin van het woord’, aldus het juryrapport.
De jonge conservator van het Stedelijk Museum in Schiedam, waar hij in 1956 begon na een periode als (kunst)redacteur bij Het Vrije Volk, kon de prijs in díe tijd extra goed gebruiken. De kritiek van de officiële kunstwereld op zijn televisieoptredens was aanvankelijk meedogenloos.
Voorzien van een weerwoord vatte Janssen die kritiek in 1961 samen in het voorwoord van zijn eerste Kunstgrepen-pocket. Het was lang niet allemaal prettig wat ze ’vonden’, concludeerde hij met een understatement. ’Men zocht er exhibitionisme achter en overmatige praatlust zomede ónderschatting van het publiek, want ik stelde het allemaal veel te eenvoudig voor, alsook óverschatting, want ik maakte het juist te moeilijk. En sommigen waren boos omdat zij meenden dat ik een loopje nam met de kunstgeschiedenis, met de feiten, en anderen waren boos omdat ik te veel voor moderne kunst pleitte. Wat heeft het voor zin, zo riep men, om op die manier over kunst een conférence te houden’, aldus Janssen in het voorwoord. Bozig voegde hij eraan toe: ’Cultuur is bij ons geen feest, maar een zaak van verpletterende ernst.’
Janssen werd ook een aansteller en een slordige denker genoemd, die net als Karel Appel maar wat aan zou rotzooien. Hij toonde zich pijnlijk getroffen. „Wat mij het meest griefde”, zei hij daarover, „was het verwijt dat ik de kunstwerken ’vervalste’ door ze ’uit hun historisch kader te rukken’. In de eerste plaats heeft men dan slecht geluisterd. Waar mogelijk en essentieel heb ik dat kader namelijk wel degelijk proberen aan te geven.”
Maar de wetenschap van de kunsthistorie, waar hij ’zo heel veel van hield’, hoorde volgens hem niet te verarmen tot de functie van een stationschef, die precies op tijd en precies van het juiste perron de trein laat vertrekken. „Zij moet dúrven ook met de trein mee te rijden om te ervaren dat al die keurig gestarte treinen aankomen op stations waarvan de dienstregeling niet repte.”
Janssen gaf als jongen – bij grote drukte - rondleidingen in het Streekmuseum voor de Veluwezoom en voelde toen al de betovering die het fundament van zijn ’missie-arbeid’ werd: „Ik kan er echt niets aan doen als men de beeldspraak wat te gezocht vindt, maar dikwijls doet de samenleving mij denken aan een Chinees restaurant, compleet met parkieten in een kooi. Daar zitten de mensen te eten en zij weten niet wat zij eten. Overal zijn er glazen wanden tussen ons en het is voor mij een levensbehoefte geworden die wanden te verschuiven of weg te nemen. Noem het onbescheidenheid, noem het kamertjesvrees, noem het wat men wil – ik geef het als verklaring voor mijn pogingen ook door het glazen scherm van televisietoestellen heen te dringen.”
Na zijn vertrek van het scherm in 1972, bleef Janssen nog tot 1982 directeur van het Gemeentemuseum in zijn geboorteplaats Arnhem. Vanuit zijn boerderij in Kerk Avezaath in de Betuwe, waar hij woonde met zijn vrouw Rie de Boois – voormalig Tweede Kamerlid voor de PvdA – bleef hij in de jaren daarna nog overal in het land lezingen geven. „ Als mensen mij vragen waarom ik al zo lang door kunst ben geboeid, zeg ik altijd hetzelfde: kunstwerken zijn een ander antwoord op een sleetse werkelijkheid”, verklaarde hij in 1998 tegen Elsevier.
Over zijn rol in de openbaarheid oordeelde hij toen bescheiden: „Ach, ik ben niet meer dan een los velletje hoor, fladderend tussen de dingen. Ik heb nooit bij het establishment willen horen en heb geen macht gezocht.” Het losse velletje dat de weg baande voor programma’s als Museumschatten - van de inmiddels als presentator gestopte Henk van Os die immer met Janssen werd vergeleken - is nu uitgefladderd en definitief televisiegeschiedenis geworden.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties














