Home / Archief / Gerrit Jansen: Rode bosmier is heel wat mans

Gerrit Jansen: Rode bosmier is heel wat mans

Foto's
1
  • Afbeelding
    Beschrijving
    Nestkoepel van rode bosmier. Als je de handen vlak boven het nest houdt, spuiten de mieren ogenblikkelijk mierenzuur. foto Gerrit Jansen ;Mier melkt bladluizen. foto Stan Bouman
Ook de soldaten in een mierenkolonie zijn, net zoals de werksters, van het vrouwelijke geslacht. Geen ‘echte kerels’, maar ze verdedigen het nest manhaftig door te steken of, zonder angel, door te bijten en te spuiten.

Aan het eind van de vakantie gaan we elk jaar met de drie kleindochters een lang weekend naar Ameland. We nemen de boot naar de zeehonden en wandelen uren langs het strand waar de kinderen schelpen, krabben en ander aanspoelsel verzamelen.

Dit jaar hebben we ook een uitgebreide wandeling door het bos bij Ballum gemaakt. Verbazingwekkend hoeveel mierennesten van de rode bosmier we daar aantroffen. Voor het gemak spreek ik van de rode bosmier, maar er zijn meerdere soorten die erg op elkaar lijken. Zo onderscheiden we de kale rode bosmier, Formica polyctenae, die we ook in de duinen kunnen aantreffen en de behaarde rode bosmier, Formica rufa, die we meer in naaldbos zien. Het is maar dat u het weet!

In ons land is de rode bosmier wettelijk beschermd. Dat is nodig, want door ontbossing, verzuring en bebouwing gaat het met het nijvere volkje niet goed.

De nesten worden vaak op open plekken in het bos of aan de boszoom gebouwd. Voorwaarde is dat de zonnestralen de mierenhoop kunnen opwarmen.

De nesten ontstaan meestal in een oude boomstronk. Die wordt afgedekt met naalden van sparren en dennen en verdroogde stukjes tak. De broedkamers liggen op verschillende diepten. Al naar gelang de weersomstandigheden dragen de werksters het broed, larven en poppen, naar hoger of lager gelegen ruimtes. De meeste mierenhopen gaan slechts een paar jaar mee. Een klein aantal groeit uit tot een reusachtig bouwwerk met een doorsnede van een paar meter. Dergelijke nesten kunnen wel 20 jaar oud zijn en daar wonen dan honderdduizenden werksters met meerdere koninginnen in.

Over het nut van mieren bestaat geen twijfel. Een beetje volk maakt honderdduizenden grote en kleine, vaak schadelijke insecten buit. Grote prooien worden gedood en in stukjes geknipt. De aanwezigheid van mieren is een indicatie voor een gezond bos en dat lijkt op Ameland wel goed te zitten.

Ik heb de kleindochters even de handen boven de mierenhoop laten houden. Daar was enige overredingskracht voor nodig, want elk kind weet dat mieren kunnen steken of bijten. Steken doen soorten met een angel zoals de knoopmier, Myrmica rubra, die in praktisch elke tuin voorkomt. De angel is net zoals bij andere angeldragers, bijen en wespen, in de loop van de evolutie ontstaan uit het legapparaat. Het steekapparaat is verbonden met één of meer klieren die een giftige en bijtende stof produceren. Gezien de herkomst van de angel zal het duidelijk zijn dat alleen wijfjes kunnen steken.

Ik heb de kinderen uitgelegd dat ze voor steken nu niet bang hoeven te zijn. Bij bosmieren is de angel gereduceerd. De klier die het mierenzuur produceert, werkt echter optimaal.

Omdat het nog vroeg in de ochtend is en nog niet erg warm, zijn de mieren weinig agressief. Dit verandert echter snel. Als de handjes zo'n tien cm boven het nest zijn, begint een aantal soldaten ogenblikkelijk te spuiten. Dat doen ze door hun achterlijf tussen de poten door naar voren te buigen. In het vage zonlicht zijn de straaltjes zuur zelfs zichtbaar. Evi, Renée en Isabel mogen nu aan de handen ruiken, maar moeten niet in de ogen wrijven.

Proeven mag ook: aan de smaakgewaarwording van onze kleinkinderen mankeert niets!

Als Renée begint te springen, wordt het tijd om benen te maken. Rode bosmieren hebben namelijk sterke kaken waarmee ze onze huid kunnen doorboren. Renée is gebeten en de mier spuit ogenblikkelijk zuur in het wondje.

Ook Isabel begint te dansen: Evi, de oudste, slaat een mier van haar blote been. Opa moet nu laten zien, dat het allemaal wel meevalt. Daarom zet ik een soldaat op de palm van mijn hand. De kinderen kunnen van heel dichtbij zien wat er gebeurt. De mier zet zijn kaken in het vel. Ik voel het nauwelijks, maar dat verandert wanneer de aanvaller begint te spuiten. Aanschouwelijker onderwijs kan ik niet geven.

Om de kinderen nog meer respect voor de mieren bij te brengen, zoeken we een druk belopen mierenpad op. Het reilen en zeilen van een volk valt of staat met de eigen specifieke geur. Ieder nest heeft een eigen luchtje waaraan iedere mier de nestgenoten kan herkennen. De werksters leggen geursporen aan, waardoor ze de weg naar het nest feilloos weten te vinden. Komen ze onderweg een prooi tegen, die te groot is om te verslepen, dan markeren ze met hun geurstof de plek. Andere mieren die langs komen, herkennen de geur en beginnen aan de prooi te trekken en te slepen. Mieren kunnen vijfhonderd maal hun eigen gewicht trekken, maar als je met tientallen aan het sjorren gaat en de neuzen staan niet allemaal in dezelfde richting, dan schiet het niet op. Daar komt nog eens bij dat het mierenpad bezaaid is met dennennaalden, grassprietjes en andere obstakels: niet bepaald een fraai geplaveide weg dus.

Op de route passeert een mier met een dode vlieg. Even later volgt er een met een dode soortgenoot tussen de kaken. Misschien een vreemdeling, die verdwaald was en vanwege de afwijkende geur dit met de dood heeft moeten bekopen. Maar leg dat je kleinkinderen maar eens uit!