Wageningen, de eerste keer
Een lange, brede weg met erlangs grote huizen. Ik denk dat het de Lawickse Allee was. Ik was een klein jochie. De hele familie Winkel, acht personen sterk, was weer eens met zijn allen in de auto gepropt om vanuit Schiedam een zondags ritje te maken.
De drie kleine broertjes zaten in de bak, zoals wij dat noemden, mijn zusjes en ik op de achterbank, moeder rechtsvoor en vader achter het stuur. Het was ergens eind jaren zestig van de vorige eeuw. Ik denk dat we naar de dierentuin in Arnhem of zo waren geweest. Geen idee wat we anders in Wageningen zouden moeten doen. Wel opvallend dat Wageningen me al die jaren is bijgebleven. Renkum, Amerongen of Leersum, waar we ongetwijfeld ook langs zijn gekomen die middag, vergat ik al op het moment dat we erdoor reden. Pas jaren later leerde ik ook die plaatsen kennen. Eigenlijk pas na mijn vierde kennismaking met Wageningen.
Dat we in Wageningen waren geweest is mijn enige herinnering aan mijn kennismaking met de stad, waar ik nu met een paar onderbrekingen sinds 1975 woon. Maar van die eerste kennismaking is meer blijven hangen dan van de tweede, hoewel de gevolgen van die tweede kennismaking veel groter waren. Het moet eind 1974, begin 1975 zijn geweest. Ongetwijfeld op een zaterdag. Deze keer was de auto minder gevuld. Vader had voor deze speciale gelegenheid een dag vrij genomen en zat weer achter het stuur, moeder rechtsvoor en ik had de hele achterbank voor mij alleen. De bak was leeg. Doel van onze reis naar Wageningen was de voorlichtingsdag van de Landbouwhogeschool. Ik gok dat die dag op De Dreijen was. Zeker weten doe ik het niet, want het enige wat ik van deze tweede kennismaking met Wageningen weet is dat hij is geweest. Ik kan me er werkelijk niks van herinneren.
De voorlichters hadden hun werk goed gedaan, want ik besloot om plantenveredeling te gaan studeren. 1975 was een goed jaar voor de Landbouwhogeschool. Liefst 1.250 eerstejaars hadden zich aangemeld. Tegenwoordig kijken ze daar niet meer van op in het bestuurscentrum. Toen was het een groot jaar. Net als nu was er ook toen kamernood. Maar niet voor de jonge Arnold Winkel. Al met Pasen had ik via een tante een kamer in een van de flats aan de Rooseveltweg. Ik had hem niet gezien, maar als het via je tante gaat moet het goed zijn. Ongetwijfeld was er met die kamer weinig mis. Behalve één ding. Toen ik kort voor de introductiedagen zouden beginnen de hospita belde wanneer ik er in kon, vertelde ze doodleuk dat ze de kamer al eerder had kunnen verhuren. En dat derhalve ook had gedaan. Ze had het niet nodig gevonden mij dat ook te melden.
De hoogste tijd voor de derde kennismaking met Wageningen. Het werd weer niet meer dan een snel bezoek. De auto was weer leger dan de vorige keer. Vader moest werken, dus zat moeder Winkel achter het stuur. Ik zat op haar plaats. We gingen kamers zoeken. Niet in Wageningen. Daar was werkelijk niets te vinden. Wel vond ik die dag voor het eerst de Hoogstraat. In mijn beleving mocht je er niet met de auto in, maar het was nog niet echt omgebouwd tot voetgangersgebied. Maar dit kan ook een mengeling van herinnering en veel oude ansichtkaarten kijken zijn. Wat ik nog wel weet is dat er een groenteboer in de Hoogstraat zat. De Ouwe Moestuin? We hebben er een zak groene druiven gekocht en heerlijk met zijn tweetjes opgepeuzeld. Best bijzonder, want bij ons thuis moesten we alles met zijn achten delen.
Maar ik had nog steeds geen kamer. Wel had ik een paar weken eerder een racefiets aangeschaft. Een oranje Gazelle PX8, met bagagedrager. Maar wel met krom stuur en tien versnellingen. We konden dus best een beetje verder weg zoeken. Op naar Ede. We stopten bij het kantoor van de Edesche Courant (een van de vele voorlopers van de huidige Gelderlander) en kochten de krant van die dag. Hij telde weinig kameradvertenties. Om heel precies te zijn eentje, een kamertje in Arnhem. De prijs weet ik ook nog: 110 gulden per maand. Snel gebeld met die hospita en we konden meteen komen. Ik mocht er niets, maar het was een kamer. En die 20 kilometer reizen was alleen maar goed voor mijn conditie. Ook dit liep niet goed af. De mevrouw wilde alleen maar minimaal voor zes maanden verhuren, meldde ze twee dagen voor het begin van de introductietijd. Intussen had ik echter al een brief van de SSH (nu Idealis) gekregen. Ik kon per 1 november een kamer krijgen. Jammer, maar dan ging Arnhem niet door.
Alleen kon dat wel zonder kamer aan de introductietijd beginnen? Ja hoor, zei een meisje van de introductiecommissie monter door de telefoon. ,,Er is vast wel een slaapplek bij een van je mentorgroepleden.'' Zo begon mijn vierde, en nu langer dan een dag, kennismaking met Wageningen op een zaterdagochtend in augustus 1975. Het zou maar zo de tiende geweest kunnen zijn. Om half vijf zwaaide mijn moeder me uit. Vader, broertjes en zusjes lagen nog heerlijk te slapen. De auto bleef in de garage staan. Ik stapte op mijn oranje Gazelle en toog richting Wageningen. Ik had geen idee waar dat nou precies lag, maar ik moest oostwaarts. Met wat horten, stoten en verkeerd fietsen lukte dat wonderwel. Alleen regende het nogal onder weg. Tot de top van de Grebbeberg was dat het grootste probleem. Helemaal opgewonden om voor het eerst van mijn leven een echte berg af te suizen, schakelde ik niet goed. De ketting vloog eraf. Maar die afdaling liet ik me niet ontnemen. Beneden zouden we wel verder zien. Ik kwam precies voor een fruitstalletje tot stilstand. Daar kocht ik een pond groene pruimen. Toen die naar binnen waren gewerkt, ging de ketting weer goed over de tandwielen en naderde Wageningen steeds meer. Als een verzopen kat meldde ik me in de Junushoff bij mijn mentorgroep. Die middag stond er een fietstochtje op het programma
Gelukkig werd dat afgelast.
Het meisje van de introductiecommissie had gelijk. Ik mocht blijven slapen bij een jongen van mijn mentorgroep op Asserpark 2a. Alleen wist ik niet op welke kamer hij woonde. Dat was nog even zoeken midden in de nacht. Eerst stond ik bij de Bornsesteeg. Al die sterflats zijn ook hetzelfde, zeker in het donker, onder invloed en zonder kennis van de stad. Nog een geluk dat de Dijkgraaf en Rijnsteeg nog gebouwd moesten worden. Uiteindelijk toch bij Asserpark aangeland en alle kamers geopend om te zien of ik bij de juiste persoon was aangeland. Pas bij de laatste kamer was het raak. Ik had beter andersom kunnen gaan, was de eerste raak geweest.
Na Asserpark 2a volgden in Wageningen nog acht adressen in Wageningen. Nu is het al veertien jaar Roghorst. Ik denk niet dat er nog acht nieuwe komen.
Arnold Winkel, verslaggever Wageningen.