Pap aan met een meubelmaker die nog werkt met hout. Het gaat om zijn krullen. Hij schaaft beukenhout en eiken. Elke houtsoort heeft zijn geur. Ook als de krullen opgaan in rook kun je aan de ham, de worst of de vis die je in de rook hangt subtiele verschillen proeven. Vis roken achter het huis of in een schuurtje komt terug in de mode.
Maar hoe kom je aan het goede hout? Je kunt, bij gebrek aan een bevriende meubelmaker, ’s ochtends heel vroeg de regels van de gemeente overtreden door uit het grof vuil aan de straat een afgedankte eikenhouten stoel mee te nemen om er krullen van te schaven. Afgedankt Ikeaspul is vaak vurenhout, dat geeft een scherpe rook, maar is het berkenhout, dan is de rook juist mild.
Er zijn een paar sterke aanwijzingen die de bewering staven dat roken aan huis en dan in het bijzonder het roken van vis, weer in de mode komt of dat al is. Het begon een paar jaar geleden met een vrij plotselinge toename van de verkoop van gerookte vis bij visboer (’ik wil liever visspecialist genoemd worden’ zegt mijn Nijmeegse visboer steeds) en in de supermarkt. Zalm, makreel, haring in verschillende uitvoeringen en het gerookte sprotjes als filet of in zijn geheel. De rokerij van de Gebroeders De Boer in Monnickendam bijvoorbeeld, kon een spectaculair toenemende vraag naar gerookte sprotjes nauwelijks baas. Maar op het internet en op straat (in Den Oever en IJmuiden, maar ook in Sittard als het om forellen gaat) lees je en hoor je mannen – nooit vrouwen – elkaar tips geven en gegevens uitwisselen over hoe welke vis te roken en met wat. Ik kreeg een paar goudgerookte ponen van een roker. Hij glimlachte er geheimzinnig bij, zoals een clandestiene sterkedrankstoker zijn calvados te proeven aanbiedt.
Maar het meest geeft te denken dat Duitsers het zelfrokers nu al zo makkelijk maken dat ze het helemaal niet hoeven te kunnen maar toch doen. Op de grote internationale vishandelsbeurs in Brussel leveren verschillende exposanten elk jaar een product in dat meedingt naar de prijs die deftig Prix d’Elite wordt genoemd. Het zijn meestal kant-en-klare vishapjes in bakjes voor verkoop in supermarkten. Zo zag ik een potje paté, zeg maar leverpastei, maar dan gemaakt van sint Jakobsschelpen. De prijs ging naar de grootste vishandelaar en visverwerker van Duitsland, Deutsche See uit Bremerhaven. Voor een kant-en-klaar vishapje in een bakje voor verkoop in de supermarkt, maar met een ingebouwd rokerijtje. Een blok rauwe zalm, gezouten en gekruid is omwikkeld met een flinterdun houten blaadje, zo dun als de fineer op een nepeikenhouten keukenkastdeurtje. De zalm, verpakt in hout, moet op de barbecue. Ik ontmoette in Brussel een Nederlands lid van de internationale jury. Hij wees me dolenthousiast op het zalmhapje en voorspelde het als grote kanshebber. ’Dat gaat zo met het fineerpakketje er omheen op de barbecue’, zei hij. ’Dan vliegt dat dunne hout in de fik’, zei ik. Hij schaterde om mijn onbegrip. ’Nee, het is de bedoeling dat het gaat smeulen en de zalm er gaar in wordt zonder te verschroeien.’ Het houten hapje won.
Maar een heel andere aanstaande nieuwe mode werd door de meeste trendwatcher in Brussel over het hoofd gezien. In een bescheiden standje op de enorme visproductenbeurs stond een vriendelijke man uit Thailand met tasjes. Hij werkt voor een gigantisch concern, de Grobest Group. Die maakt visvoer voor garnalen- en viskwekerijen en kweekt zelf ook vis, die diepgevroren over de hele wereld wordt verkocht. Tilapia is zo een kweekvis. Men eet de filets. Maar de huid? Thailand stelt voor om er tasjes van te maken. Een jas kan ook. Van visleer.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties











