Hij zegt dat het verboden moet worden kneusjes van zeehonden te verzorgen en
terug te zetten. Het is de pest voor de populatie, zegt de Wageningse
hoogleraar zeezoogdieren, Peter Reijnders.
Een zeehondenpopulatie
kan zich niet goed ontwikkelen als je de zielenpietjes het leven redt in een
badhuis en ze later teruggeeft aan de natuur. Zestien van elke honderd
zeehondenbabies belanden in de crèche. En van een soort die als uitheems
wordt beschouwd, de grijze zeehond die de Waddenzee verovert, wordt liefst
45 procent van de jonkies opgevangen en vertroeteld. Puur natuur? De
toeristische trekpleister te Pieterburen reageert op kritiek met publicaties
van biologen die andere dingen beweren en gaat gewoon door.
Vissers
langs de Noordzeekust, die werken met staande netten, de minst
milieubezwaarlijke wijze van vissen, hebben meer last van zeehonden dan
ooit. Het zijn slimme beesten en aartslui. Ze zwemmen soms achter de boten
aan en niet stiekem, de visser ziet ze lachen. Door hem te volgen, weten ze
waar hij straks zijn net uitzet. Kostelijke zeebaarzen zwemmen zich vast in
de mazen van het staand want. De zeehond bijt het lijf van de kop af. De kop
zit vast in het net en de zeehond vindt het niet de moeite waard het er uit
te pulken. Liever eet hij een staart. Zo komt het dat staand- wantvissers
netten vol koppen zonder staart ophalen en geen cent verdienen.
Maar we moeten sinds 1962 van de beesten houden. Voor die tijd werd er op
gejaagd. Vissers, maar ook overheden, dachten dat zeehonden te veel vis voor
de vissers weg aten, maar ze leverden ook traan en spek op en naar men zegt,
is de lever erg lekker. Het wordt verteld in een prachtig boek over wat zich
in een niet zo ver verleden afspeelde rond het kleine, bijna geheime
haventje Noordpolderzijl boven in Groningen. Er staat een krantenknipsel in
uit 1900. Blijkt dat langs de hele kust, van Groningen tot Zeeland, premies
werden uitbetaald aan vissers en jagers die zeehonden aan wal brachten. De
opvattingen zijn veranderd, zeehonden vallen nu onder natuurmonumentenzorg.
En de populatie van verwende nesten langs de Nederlandse kust eet geen bot
meer, zoals weleer, maar de meest exquise vissen uit het bestand, die
eigenlijk voor mij bestemd waren.
Goed, dan eet ik maar een wild
zwijn af en toe. Daar zijn er te veel van, zeggen mensen die er last van
hebben. Dat maken wij wel uit, zeggen vrienden van het dier, die ook veel
van de vossen houden. Ze hebben iets nieuws verzonnen. Niet de mensen moeten
wilde zwijnen braden, we moeten ze bewaren voor de wolf. Hij komt uit Italië
met zijn familie en trekt via Duitsland naar ons toe. Ooit woonden in
Nederland wolven, dus horen ze hier, zeggen lui die over de natuur de
leiding op zich genomen hebben. Ze hopen dat de wolven, die nu nog op 200
kilometer van onze oostgrens in Duitsland rondhangen, ons land weten te
vinden om zich hier tegoed te doen aan reeën en zwijnen. Ik mag het niet,
maar de wolven mogen mijn zwijnen wel opeten. Via Limburg zullen de wolven
naar het noorden trekken en daar de zee zien, die twee keer per etmaal
droogvalt. Dan is het gedaan met de zielige zeehonden. Denkt u niet,
vrienden van de natuur?
Albert Flikkema en Siewert Meijer –
Noordpolderzijl. Stichting voorheen De Eendracht-Usquert.
Zie ook:
www.usquert.net/2009/noordpolderzijl
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.














