Alexander van Slobbe (50) is de eerste Nederlandse modeontwerper die internationaal aanzien kreeg. Hij loopt alweer dik twintig jaar mee in het wereldje; tijd voor een tentoonstelling en een boek.
"Het is gelukkig geen overzichtstentoonstelling", haast Van Slobbe
zich te zeggen. "Dergelijke tentoonstellingen worden gegeven aan mensen
die dood zijn."
De tentoonstelling Stof tot nadenken in het
Centraal Museum in Utrecht, geeft aan de hand van zo'n negentig
kledingstukken een beeld van wat Van Slobbe de afgelopen twintig jaar heeft
gedaan.
Van Slobbe begon in 1989, na een opleiding aan de
Hogeschool voor de kunsten Arnhem, met het label Orson + Bodil. In 1993 brak
hij internationaal door met het mannenmodelabel So, waarmee hij bijzonder
populair werd in Japan. In 2004 deed hij bewust afstand van zijn oosterse
succes en opende een exclusieve winkel met kleding van Orson + Bodil, het
label waarmee hij tien jaar eerder was gestopt.
Als we Van Slobbe
spreken, is hij aan het werk in zijn winkel. Hij borduurt, af en toe kijkt
hij op om iets met Marjon Beumer – zijn 'rechterhand' – te bespreken.
"Als je het niet heel erg vindt, borduur ik door tijdens het interview.
Dit stuk moet vanavond af zijn."
Hij was 42 toen hij besloot
om te stoppen met het label So. "Het gaat te ver om het een
midlifecrisis te noemen, maar ik dacht wel: waarom heb ik dit vak ooit
gekozen? Het gaat mij om het ontwerpen, ik had het gevoel dat het daar bij
So steeds minder om draaide. Ik zat ten minste acht keer per jaar in het
vliegtuig naar Japan, was bijna zelf het product geworden. Daar had ik geen
zin meer in."
Bij Orson + Bodil ligt de nadruk op exclusief
handwerk. De productie is klein – van een jasje worden twintig of dertig
stuks gemaakt – en bepaalde kledingstukken komen nooit in de uitverkoop.
De titel van de tentoonstelling in Utrecht – Stof tot nadenken – is een idee
van het museum, maar Van Slobbe ziet zelf ook wel in dat die goed bij zijn
werk past. Zijn ontwerpen worden vaak weggezet als 'intellectuele mode'. "
Met dat etiket word ik nu al een jaar of twintig belast, maar ik denk heus
niet 'zo, nu ga ik eens lekker intelligent doen' als ik aan een ontwerp
begin. Het heeft te maken met de vormentaal die ik gebruik, ik werk met het
lichaam, mijn constructies zijn nooit een korset. Ik vind een vrije vorm
interessanter dan een dwingend silhouet. Voor mij is een vrouwenlichaam meer
dan borsten, taille en heupen."
Hij heeft inmiddels een
luxepositie verworven in de modewereld. "Ik kan doen wat ik wil, en ik
verdien genoeg geld om de boel draaiende te houden. Goed, ik ben nog steeds
geen Prada, maar ik fiets elke dag met plezier naar mijn werk."
Ondertussen werkt Van Slobbe volop samen met andere ontwerpers en bedrijven
en is hij nauw betrokken bij de modeafdeling van de Arnhemse kunstacademie;
in 2004 zette hij samen met Guus Beumer de stichting Co-Lab op om jonge
ontwerpers te begeleiden.
"Ik zit al zo lang in de mode, ik
wil mezelf blijven ontwikkelen. In Nederland is mode levendiger dan ooit;
het is eindelijk een geaccepteerde discipline binnen de vormgeving. Ik vind
het leuk om aan projecten te werken waarmee ik mode in een nog grotere
context kan plaatsen." Zo kan hij nog wel twintig jaar door.
Stof tot Nadenken, t/m 16 mei in het Centraal Museum in Utrecht.
Internet:
www.centraalmuseum.nl
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.















