In 1920 beleefden componist Igor Stravinsky en modepionier Coco Chanel een kortstondige affaire. Chris Greenhalgh schreef er een roman over, die hij zelf bewerkte tot filmscenario. De Deen Mads Mikkelsen zet Stravinsky neer als een passieve man van weinig woorden.
Chanel is in de vertolking van Française Anna Mouglalis een berekenende
ijskoningin, die de getrouwde Stravinsky moedwillig een affaire
binnenloodst. De film geeft nauwelijks een motivatie voor de vrijage tussen
deze twee emotionele koelkasten. Waarom bespringen zij elkaar op een
pianokruk? Omdat ze beiden beroemd zijn en niemand hun wat kan maken.
Daarom. Ondertussen moet Igors chronisch zieke echtgenote lijdzaam toezien
hoe haar man zich laat inpalmen door Coco, die de uit Rusland gevluchte
Stravinsky's onderdak biedt in haar riante buitenhuis.
De film opent met de beruchte première van Stravinsky's Le sacre du printemps
in 1913. Regisseur Jan Kounen, die zich met Dobermann en Blueberry liet
kennen als een liefhebber van meeslepende camerabewegingen, leeft zich
compleet uit op de herschepping van de rel die ontstond bij deze
legendarische balletuitvoering. In het publiek zien we Coco Chanel zitten,
die het spektakel bewonderend gadeslaat. De schwung van die theatrale
opening wordt door Kounen nergens meer geëvenaard. Het in zwart en wit
uitgevoerde art-deco-paleisje van Chanel is een triomf van decorontwerp.
Toch voelt het alsof stilist Kounen zich binnen die muren in het nauw
gedreven voelt.
Kounen laat de affaire abrupt eindigen in een scène waarin Stravinsky zijn
minnares toebijt dat zij niets meer is dan een verkoopster van lapjes stof.
In een overbodige finale zien we Stravinsky en Chanel als eenzame bejaarden.
Het is een ongeloofwaardig en vals sentimenteel einde van een drama dat
nergens de passie tussen de hoofdpersonen voelbaar maakt.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.
















