De naam Giuseppe Tornatore is voor altijd verbonden met het Oscarwinnende Nuovo cinema paradiso (1988). Met een mengeling van nostalgie, sentiment en een oprechte liefde voor de Italiaanse filmgeschiedenis schetste de regisseur hierin een bitterzoet beeld van een Siciliaans dorp aan de vooravond van het televisietijdperk, waar alle inwoners 's avonds naar het dorpsplein kwamen om zich in de bioscoop te laven aan de wonderen van de cinema.
In Baaria maakt Tornatore rijkelijk gebruik van dezelfde ingrediënten:
jeugdsentiment, melodrama én een stevige snuf Italiaanse boertigheid. Maar
waar Cinema Paradiso zich beperkte tot een afgepaalde periode, daar probeert
Baaria ruim een halve eeuw Siciliaanse geschiedenis te overspannen.
De op Tornatore's eigen familiegeschiedenis gebaseerde kroniek wandelt in
zevenmijlslaarzen en zonder enige duiding door de historie van het stadje
Bagheria, wat door de lokale bevolking wordt uitgesproken als Baaria.
Mussolini komt en gaat, de Amerikanen worden binnengehaald als bevrijders, en
de communistische partij bloeit op en raakt in verval. En de maffia is er
van het begin tot het einde bij.

Vervolgens zien we hoe hij zich ontwikkelt tot een vrolijke maar eeuwig
afwezige vader, die zijn ziel en zaligheid legt in onbetaalde werkzaamheden
voor de Communistische Partij, die hier uit de verf komt als een vrolijke
gezelligheidsvereniging.
In de magisch realistische slotscène zien we hoe Peppino als jong veehoedertje
wakker wordt in het hedendaagse Baaria, dat tegenwoordig is vastgegroeid aan
de metropool Palermo. Net als de rest van de film heeft de scène een hoog
het-is-me-toch-wat-gehalte.
Tornatore mag dan nog maar 54 zijn, maar hij vertelt zijn familiegeschiedenis
met de wijdlopigheid van een oude man. Het enige wat de film overeind houdt
is Tornatores visuele talent.
Baaria is de duurste film uit de Italiaanse filmgeschiedenis, en dat kun je
echt afzien aan de omvangrijke decors, de in helder zonlicht badende
landschapsopnamen en de door duizenden figuranten bevolkte massascènes. Te
pas en te onpas laat Tornatore zijn camera langs en over opgewonden menigten
Sicilianen zwiepen. Het ziet er prachtig uit.
Maar door het ontbreken van een heldere verhaallijn wordt al dat visuele
spierballenvertoon al snel net zo hol en nietszeggend als de voortdurend
aanzwellende violen en mandolines die we horen in de per strekkende meter
aangeleverde filmmuziek van Ennio Morricone.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.
















