Het tekort

Een van de leerrijkste experimenten die je met jezelf kunt doen, is nagaan wat je is mislukt of wat je niet bleek te kunnen. Ik hoor mijzelf nogal eens apetrots terugblikken op wat ik zogezegd allemaal deed en presteerde. Ik ben dan tamelijk spraakzaam over mijn verrichtingen, maar opvallend zwijgzaam over mijn mislukkingen.

Op school was ik zwak in rekenen. Dat maakte dat voor mij veel mogelijkheden vervielen. Maar je past je aan. Het is mij daarom nooit ingevallen bijvoorbeeld wiskundige te willen worden. Of architect. Of boekhouder. Wat je niet kunt, zet je aan de kant, waarna je er verder nooit meer naar omkijkt. Maar het kan ook een hard gelag zijn. Ik had graag - misschien wel het allerliefst – muziek gestudeerd, maar als je totaal geen wiskundige aanleg hebt, is het vrijwel onmogelijk de theorie van de muziek echt goed onder de knie te krijgen.

Ik heb een paar prima oren en een nog beter muzikaal geheugen. Maar ik moest liefhebber blijven, een verwoed liefhebber weliswaar, maar altijd in de zaal, nooit op het podium. Het heeft mij desondanks veel opgeleverd, vooral het besef dat een mens weleens met wat minder genoegen moet nemen, ook als hij graag wat meer had gehad. Ik heb ervan geleerd dat er altijd een vaag onbehagen in je blijft rondspoken over wat je niet werd omdat het er niet in zat en er dus ook nooit uitkwam. Maar het is geen wrok en al helemaal geen gevoel van mislukking. Het leven heeft het trouwens keurig gladgestreken, de omstandigheden hebben het goeddeels verdrongen en het gezond verstand heeft het opgevangen.

Een van mijn lievelingsdenkers, Michel de Montaigne, beklaagde zich vaak over zijn grootste tekort: vergeetachtigheid. Maar dan ging hij welgemoed in de torenkamer van zijn Zuid-Franse kasteel zitten en begon op goed geluk aan zijn essays te schrijven terwijl zijn kat over het papier liep of kroelend de inktpot omver stiet. Montaigne liet zich nooit voorstaan op zijn verstandige, diepzinnige, sceptische en geestige beschouwingen. Ze kwamen als het ware uit het tekort van zijn vergeetachtigheid voort. Of uit het goede gezelschap van zijn kat, uit de stilte om hem heen en uit het uitzicht over de wijnvelden rond zijn kasteel. Montaigne probeerde te leven met wat hij niet had: een goed geheugen. Maar ook met wat hij wél had: chronische niersteenkolieken.

Een mens leeft met zijn tekorten. Hij speelt met zijn kat. Hij probeert een ogenblik na te denken. Hij doet even niks. Hij kijkt naar buiten. En hij maakt wat moois van wat hem niet is gegeven, van zijn tekort. Zelf blijf ik niettemin tamelijk spraakzaam over mijn verrichtingen, maar opvallend zwijgzaam over mijn mislukkingen. Zou dat komen doordat ik geen slecht geheugen, geen kat en geen nierstenen heb? Of zou het aan mijn beperkte uitzicht liggen?

Columns