Volledig scherm
© Thinkstock

Geen plaats in de herberg

Het was winter. Het was bitter, bitter koud. Over het besneeuwde boerenerf kroop een konijntje. Om zijn nek waren de striemen te zien van de strop waaruit hij was ontsnapt, zijn vel toonde schroeiplekken van de kogels die hij om zijn oren kreeg toen de jager achter hem aanging. Maar: hij had het gered. Nu nog zorgen dat hij niet zou doodvriezen.

Hij zag een grote schuur met dierenverblijven. Misschien was daar ook een plek voor hem? Hij klopte op de deur. „Mag ik misschien even schuilen voor de kou?” Hij had het nog niet gezegd of alle dieren begonnen tegen elkaar te praten. „Sorry, geen geschikte plek”, gromde de beer, en deed snel de schuif op de deur van zijn hok. „Je moet geen schooiers binnenlaten. Voor je het weet, pakken ze alles van je af”, zei de aap, die nog snel handenvol pinda’s in zijn bek stopte – je wist maar nooit. „Komkom”, suste moeder eend, iedereen wil warm zijn, laten we een plekje bieden.” „Goed idee”, zei de gans, „maar wij zijn helaas wat krap behuisd. Kan hij niet bij jou? Dan zorgen wij wel voor wat voedsel.” Onmiddellijk hield de eend haar snavel. De kip keek angstig om zich heen: haar hok was een keer vernield door haar eigen kuikens toen ze eens een eendenjong in huis wilde halen. Ze had geen zin in nog meer problemen. De struisvogel had zijn kop diep in de grond en zag, hoorde en zei niets. „We moeten wat doen”, zei de koe ferm. „Ja”, zei de tijger, „goed idee. Laten we erover vergaderen. Maar niet nu.” Dat vond iedereen een goed idee. Ze gingen slapen en uitgerust begonnen ze een vergadering die tot in de lente zou duren. Buiten lag, totaal vergeten, het konijntje. Verstijfd van de kou.

Margreet Terpstra