Volledig scherm
© Thinkstock

Win je eens wat, ga je met lege handen weg

Jarenlang heb ik op de sportredactie van deze krant gewerkt. Een van de aardigste dingen vond ik naar wedstrijden van de dorpsclubs in ons verspreidingsgebied te gaan. Geen idee, hoe het tegenwoordig gaat, maar vroeger wachtte je als verslaggever altijd een waardige ontvangst in de bestuurskamer van de club.

Voor de wedstrijd schonk een gastvrouw (meestal dan) koffie, soms vergezeld van een plakje cake of een andere lekkernij. In de rust herhaalde dit ritueel zich. Na de wedstrijd werd het nog mooier. Dan was iemand van het clubbestuur vaak in hoogsteigen persoon de gastheer. In sommige gevallen hoefde hij zich alleen maar om te draaien om nog een borrel of biertje uit de koelkast te halen. In andere gevallen liep hij met plezier naar de kantine om met een vol dienblad terug te komen. Worst, kaas en bitterballen maakten de fijne nazit compleet.

Bij veel clubs trok de voorzitter ook de winnende lootjes, die eerder voor de wedstrijd aan de man waren gebracht. „Meneer, wilt u lootjes kopen? 50 cent, voor de jeugd…” Natuurlijk kocht ik altijd een of meerdere lootjes. Ik gunde alle jeugdafdelingen van alle clubs het allerbeste. Maar winnen? Nooit.

Nou ja, een keer dan. Ik weet het nog. Het was bij SDS’55 in Wekerom, na een wedstrijd tegen Otterlo. De prijzen waren al voor de naborrel getrokken. En zowaar, mijn nummertje was in de prijzen gevallen. Ik mocht een bos bloemen, meen ik me te herinneren, ophalen in de kantine. Maar ja, er moesten eerst spelers en trainers geïnterviewd worden.

Iedere club wil natuurlijk op maandag wel wat van de hoofdrolspelers van het weekeinde ervoor in de krant lezen. Dus daarna op pad naar mijn bloemen. Ik ging echter zonder bosje huiswaarts. „We dachten dat ze niet meer afgehaald zouden worden….”

Arnold Winkel