Toekomst voor de journalistiek

  vrijdag 17 september 2010 | 13:52 | Laatst bijgewerkt op: vrijdag 17 september 2010 | 13:55

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
Foto: ANP

Foto: ANP

Inaugurele rede als hoogleraar Journalistiek en Media, getiteld Toekomst voor de journalistiek, van prof. dr. Jo Bardoel, hoogleraar Journalistiek en Media, Radboud Universiteit Nijmegen, op vrijdag 17 september.

Mevrouw de rector, leden van het bestuur van deze universiteit, leden van de academische gemeenschap, dames en heren,

In mijn eerdere oratie als bijzonder hoogleraar Mediabeleid in maart 2003 aan deze universiteit gaf ik aan dat er twee belangrijke garanties bestaan voor een goed functionerende maatschappelijke informatievoorziening. Dat zijn een professionele journalistiek en sterke publieke omroep. Mijn rede toen ging vooral over de macht en verantwoordelijkheid van de media, en de wijze waarop deze maatschappelijke verantwoordelijkheid van media het beste georganiseerd kan worden. Of zoals NRC-Handelsblad kopte boven de korte versie van mijn rede op de Opiniepagina, over de vraag: ‘Wie zal de media mores leren?’. Toen kon ik niet vermoeden dat ik nu, zo’n zeven jaar later, op dezelfde plaats in de gelegenheid zou zijn te spreken over mijn andere passie, de journalistiek. En ik mag dat doen op een moment dat de media en mediale communicatie een meer prominente rol in onze levens spelen dan ooit eerder het geval was, maar waarop ook – paradoxaal genoeg – over de journalistiek vooral in crisistermen gesproken wordt.

Ook in deze rede zal ik mijn eigen achtergrond en verleden niet verloochenen. Als van huis uit socioloog zal ik met name aandacht besteden aan de journalistiek als professie in de dynamische context van media en maatschappij. Ik ga eerst na hoe het gesteld is met de maatschappelijke positie van de journalistiek als professie, daarna analyseer ik de fundamentele transformaties die de journalistiek momenteel uitdagen en veranderen, en ten slotte poog ik aan te geven welk antwoord de journalistiek op deze uitdagingen zou moeten geven. En – ik sprak al over mijn achtergrond - als katholiek van huis uit heb ik te midden van alle actuele angst en onzekerheid gekozen voor een open en blijmoedige titel: toekomst voor de journalistiek.

I.

“Toen God het niet meer wist, schiep hij de journalist.” Dit citaat komt niet uit de Bijbel – ik meld het maar even, want katholieken kun je op dit punt alles wijsmaken - maar uit een gedicht van Isaack van Wijk, beter bekend als Levi Weemoedt. En Weemoedt heeft gelijk. De journalistiek is inderdaad in essentie een voortbrengsel van de moderniteit, de periode waarin als gevolg van de Verlichting de invloed van kerk en religie afnam, waarin moderne ideologieën als liberalisme en socialisme opkwamen en de vertegenwoordigende democratie tot wasdom kwam. In die zin is de journalistiek inderdaad, om Habermas te parafraseren, ‘ein Projekt der Moderne’.

Maar natuurlijk heeft de journalistiek een veel langere geschiedenis. De onlangs overleden historicus en vooral journalist Jan Blokker heeft de Griekse schrijver Herodotus, die in de vijfde eeuw voor Christus al aan oorlogsverslaggeving deed, wel aangeduid als de vader van de journalistiek. Maar voor journalistiek als volwaardig beroep was meer nodig. Vanaf de zeventiende eeuw zien we het begin van een kritische openbaarheid, vooral dankzij de drukpers als – zoals Marshall McLuhan het zo treffend uitdrukt - de ‘technologie van het individualisme’. Maar het begin van de moderne journalistiek zoals we die nu kennen ligt nog later. Blokker besteedt in zijn laatste, eerder dit jaar verschenen boek, ‘Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek’ (2010), enkele pagina’s aan de dominee en dagbladschrijver Conrad Busken Huet, die in het midden van de negentiende eeuw zijn journalistieke carrière begon bij Nederlands oudste krant, de Opregte Haarlemsche Courant en die later nog enige tijd hoofdredacteur was van de Java-Bode. Blokker citeert Busken Huet: “Om dagbladschrijver te worden zal iemand die het schone liefheeft en de grondigheid eert, de pijnlijkste offers moeten vergen van zijn roemzucht. Het is de verplichting, opgelegd voor een onsterfelijkheid van hoogstens vierentwintig uren, al zijn beste krachten in te spannen.” Deze Busken Huet, die twijfelt tussen een bestaan als schrijver, waarmee hij eer kan inleggen, en dagbladschrijver, waarmee hij brood op de plank brengt, staat letterlijk op de drempel van de moderne journalistiek. Met een been nog in de oude, literaire journalistiek en al met het andere been in de moderne, redactionele journalistiek die – in de periodisering van Meier – rond 1850 doorbreekt. Ook collega hoogleraar en mediahistoricus Huub Wijfjes laat zijn standaardwerk over de geschiedenis van de journalistiek in Nederland in hetzelfde jaar, 1850, aanvangen. [ Ten grondslag aan de opkomst van de moderne journalistiek ligt dus de moderne, industriële samenleving, met economische ontwikkelingen als de industrialisering en de opmars van het advertentiewezen, technologische ontwikkelingen als de opkomst van moderne communicatiemiddelen, met massale drukpersen, spoorwegnetten en telegraafverkeer, sociaal-culturele ontwikkelingen als de invoering van het algemeen onderwijs en de doorbraak van de stedelijke samenleving waarin contacten minder rechtstreeks en meer mediaal verlopen, en ten slotte politieke ontwikkelingen als de ontwikkeling van een vertegenwoordigende democratie met persvrijheid en burgerrechten. En mijn stelling voor vandaag is dat we nu opnieuw voor een dergelijk kantelpunt staan, maar daarover later meer.

Na dit korte scheppingsverhaal van de journalistiek ga ik in op de kenmerken en maatschappelijke positie van de professie. Van een van mijn Nijmeegse leermeesters, de hoogleraar en jezuïet Harry Hoefnagels, heb ik geleerd om, wanneer je een fenomeen bestudeert, dit allereerst - zoals hij het noemde - “op begrip te brengen”. Als we op deze manier de journalistiek benaderen dan realiseren we ons dat Busken Huet gelijk had; een journalist is letterlijk genomen een dagbladschrijver. Maar we zien dat gaandeweg de term minder is gaan verwijzen naar een werkkring bij de krant en meer naar de maatschappelijke functie die hij (of steeds vaker: zij) vervult. Blokker laat in zijn laatste boek zelfs elke verwijzing naar een medium weg en typeert de journalistiek heel huiselijk als “de bezigheid die zich toelegt op het vergaren en verspreiden van wetenswaardigheden uit de samenleving, ter wille van een publiek dat noch de lust of de tijd, noch de aanleg heeft om het allemaal zelf uit te zoeken.” Deze definitie van journalistiek contrasteert sterk met een academische definitie die ik onlangs nog aan mijn studenten voorlegde: “Journalismus”, (ik oefen vast, want morgen moet ik in Dusseldorf een voordracht in het Duits houden), [ Journalismus ] recherchiert, selektiert und praesentiert Themen, die neu, faktisch und relevant sind. Er stellt Öffentlichkeit her, indem er die Gesellschaft beobachtet, diese Beobachtung über periodische Medien einem Massenpublikum zur Verfügung stellt und dadurch eine gemeinsame Wirklichkeit konstruiert. Diese konstruierte Wirklichkeit bietet Orientierung in einer komplexen Welt.“. Het aardige van deze definitie vind ik dat deze, anders dan veel Nederlandse en Engelse omschrijvingen, niet alleen aandacht heeft voor de empirische aspecten van het vak, de vraag wat journalistiek is, met de nadruk op kenmerken als actualiteit, feitelijkheid en relevantie, maar evenzeer voor de normatieve aspecten, de vraag welke maatschappelijke opdracht de journalistiek heeft, zoals het scheppen van een gemeenschappelijke werkelijkheid en een openbaarheid die burgers oriëntatie biedt in een complexe, onoverzichtelijke wereld.

Dit opereren in de openbaarheid, of het publieke domein, maakt de journalistiek tot een bijzonder beroep, zowel voor de samenleving als voor journalisten zelf. Het is op grond van dit bijzondere maatschappelijke belang dat de journalistiek zich historisch gezien kon afzonderen en gaandeweg afstand kon nemen van het commerciële belang dat voor uitgevers en mediumeigenaars centraal staat. Volgens Anthony Smith ontstaat deze journalistieke tussenpositie, waarin deze naast een commerciële ook en vooral een morele band met zijn publiek ontwikkelt, vanaf het einde van de negentiende eeuw, zojuist door ons aangeduid als het begin van de moderne journalistiek.

De journalistiek is ook een bijzonder beroep omdat onduidelijk is of het gewoon een beroep is, een professie of toch een roeping. “Journalistiek - het is een vak, en helaas is het dat geworden”, tekende collega communicatiewetenschapper Addy Kaiser ooit op uit de mond van Rinus Ferdinandusse, oud-hoofdredacteur van Vrij Nederland. Oudere journalisten houden vast aan de journalistiek als romantische roeping op basis van talent of lotsbestemming, met een grote mate van ongebondenheid, kritisch vermogen en nieuwsgierigheid, eigenschappen die niet via opleiding aan te leren vallen. Dat was ook de overheersende opvatting tijdens het eerste opleidingsdebat in Nederland een eeuw geleden, toen al de vraag opkwam of journalistiek aangeboren werd dan wel aangeleerd kon worden. Het ‘Verslag van de Commissie tot het instellen van een onderzoek naar de beste opleiding voor den journalist, uitgebracht aan het Bestuur van den Nederlandschen Journalistenkring’ in september 1910 – deze maand precies honderd jaar geleden – verwijst in dit verband naar de tegengestelde standpunten in dit debat van enerzijds de hoofdredacteur van De Standaard, Abraham Kuyper, die in zijn krant vurig pleitte voor een ‘Doctoraat voor de pers’, tegenover anderzijds de hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad Charles Boissevain die van oordeel was dat – ik citeer – “de geboren journalist bedorven in plaats van gesterkt zou worden door een afzonderlijke opleiding”.

Bij deze journalistieke zelfopvatting als vrijgevochten individu past per traditie een bescheiden maatschappelijke status. Max Weber, een van de vaders van de sociologie naar wie een andere Nijmeegse leermeester prof. Jan Thurlings graag verwees, kenschetste de journalistiek begin vorige eeuw nog als een pariakaste zonder vaste maatschappelijke positie. Sociologisch stratificatieonderzoek laat steevast zien dat het met het maatschappelijk aanzien van de journalistiek maar matig gesteld is; de journalist neemt op de maatschappelijke ladder hoogstens een magere middenpositie in, met in de hoogste regionen de hoogleraar. U begrijpt nu waarom sommigen na een carrière in de journalistiek nog graag een hoogleraarschap aanvaarden.

In recente decennia wordt vaak de vraag gesteld of de journalistiek een gewoon beroep is dan wel een professie. De professionele status is doorgaans zeer begeerd, omdat die meer vrijheid, gezag en ook meer salaris, pardon: honorarium, oplevert. De socioloog Mok geeft aan dat een beroep op weg naar professionaliteit een “natuurlijke historie” doorloopt met een aantal noodzakelijke stappen. Werk wordt een volledige dagtaak met een eigen specialistisch kennisdomein dat via een langdurige, veelal academische, opleiding wordt overgedragen en dat beschikt over een in een ethische code vastgelegd formeel normenstelsel dat via het lidmaatschap van een beroepsvereniging gecontroleerd en gesanctioneerd wordt en op basis waarvan, ten slotte, de professional een verregaande autonomie geniet op een formeel beschermd terrein. Afgemeten aan deze formele kenmerken is de journalistiek, concludeerde ik eerder in mijn proefschrift, hoogstens een half-professie. Aan deze status van semi-professie ligt zowel een niet-willen als een niet-kunnen ten grondslag. Tot de eerste categorie, het niet-willen, behoort de principiële keuze voor een open beroep, in relatie tot de uitingsvrijheid vastgelegd in artikel 7.1 van de Grondwet, waardoor iedereen zich journalist mag noemen en toelating tot of uitsluiting van het beroep niet aan de orde is. Het niet-kunnen komt vooral voort uit de sterke inbedding van de professie in de organisatie, dit in tegenstelling tot klassieke professies die per traditie uit individuele, vrije beroepsbeoefenaars bestaan.

Jane Singer (2003) maakt met betrekking tot de professionele status van de journalistiek een onderscheid tussen enerzijds de cognitieve dimensie, die betrekking heeft op de kennis en vaardigheden van het vak, alsmede de opleiding, en anderzijds de normatieve dimensie die betrekking heeft op de publieke dienstbaarheid en de eigen ethiek van de journalistiek. Zij concludeert dat de journalistiek zwak scoort ten aanzien van de cognitieve dimensie; de journalistiek heeft immers geen eigen kennismonopolie, zij hanteert geen toegangsvoorwaarden en kent geen interne elite die overtreders buiten de deur zet. Maar ten aanzien van de normatieve dimensie is het anders gesteld. “Journalism’s strongest claim to professional status”, schrijft Singer,“ may lie in the normative dimension”; journalisten zijn immers zeer toegewijd aan het publieke belang ter wille van het bedienen van burgers in een democratische samenleving. Als journalisten als Pieter Storms en Jord Kelder met elkaar op de vuist gaan over de professionele ethiek, dan mogen we toch wel vaststellen dat deze diep in de journalistieke professie verankerd is.

II.

Deze zoals we zojuist hebben vastgesteld maatschappelijk belangrijke, maar sociologisch bezien enigszins gemankeerde professie staat nu voor de grootste omslag in haar moderne bestaan. Ik meldde het al aan het begin: met de media in de breedste zin van het woord gaat het goed, maar met de journalistiek gaat het in de algemene perceptie behoorlijk beroerd. Nog nooit zijn er in zo korte tijd zoveel debatten, publicaties en adviescommissies gewijd aan een professie die eerder nooit opviel door veel externe bemoeienis of interne reflectie. De huidige paradigmawisseling van de journalistiek is bij nadere beschouwing het gevolg van drie samenlopende transformaties: de evoluerende mediatechnologie, een veranderde samenleving met een ander mediagebruik, en tenslotte een eveneens sterk veranderde mediasector.

Wat betreft de eerste transformatie: de technologie die traditioneel een belangrijke bondgenoot van de journalistiek was, wordt nu een geduchte tegenpool. Journalistiek werd, zoals we al aangaven, pas een afzonderlijke professie in de tweede helft van de negentiende eeuw, dankzij de opkomst van de industriële massapers. Later opgekomen mediatechnologieën als de radio en de televisie ontwikkelden gaandeweg eigen vormen van journalistiek, maar tot op de dag van vandaag bleef de dagbladjournalistiek zowel kwantitatief als kwalitatief de moeder en de hoeder van de professie. Momenteel wordt deze traditionele, industriële en institutionele journalistiek, die verbonden is met grote media-instellingen en centrale redacties met een eigen, betrekkelijk gesloten nieuwscultuur, geconfronteerd met een nieuwe, gedecentraliseerde en meer open ‘netwerkjournalistiek’. Deze nieuwe, vierde vorm van journalistiek, zo schreven Mark Deuze en ik eerder, zou moeten inspelen op de voornaamste kenmerken van de nieuwe media zoals interactiviteit, multimedialiteit en hypertextualiteit. In de eerste golf van internet avant-la-lettre, begin jaren tachtig, die teletekst en viditel heeft voortgebracht, voorzagen twee leden van de toenmalige Omroepraad, hoogleraar telecommunicatie Jan Bordewijk en journalist Ben van Kaam, de opmars van interactieve consultatiemedia ten koste van de bestaande ongerichte allocutiemedia. Intussen heeft zich onder mediagebruikers al het schisma voltrokken: oudere generaties halen hun actuele informatie vooral nog bij de oude allocutieve media als het dagblad en de omroep, terwijl jonge generaties hun informatie vooral zelf actief en interactief bijeengrazen via internet en gratis media. Klassieke media worden vooral geraadpleegd als ‘second opinion’. Aan de nieuwe informatieplatforms komen echter minder journalisten te pas. Voor een professie die gewend was als niet te passeren intermediair zelf te bepalen wat voor het publiek van belang is, betekent dit een immense omschakeling. De recente opmars van burgergeoriënteerde journalistiek – voor burgers (‘civiele journalistiek’) of door burgers (‘burgerjournalistiek’) – kan gerust gezien worden als een revolte tegen een elitaire en bevoogdende professie.

Naast deze technologische revolutie, heeft ook de tweede transformatie, in de samenleving en bij het publiek, haar weerslag op de journalistiek. De reden dat de beschreven technologische trends zo snel konden doorzetten heeft alles te maken met de omstandigheid dat de sociologische basis voor deze omslag van collectieve naar individuele media – van ‘we-media’ naar ‘i-media’ – in feite allang voorhanden was. De individualisering die zich op alle maatschappelijke terreinen al een halve eeuw als dominante trend manifesteerde, werd binnen de media afgeremd doordat de technologie tot dusverre kunstmatige schaarste, collectieve afname en het primaat van de producent dicteerde. De nieuwe werkelijkheid van permanente verbinding met en toegang tot kennis opgeslagen in kunstgeheugens waar ook ter wereld, verandert de relatie tussen mensen en media op een fundamentele manier. Internet slecht de barrières van plaats en tijd, en voor de jongste generaties zijn niet meer traditionele media maar Google en Apple de belangrijkste poortwachters naar de buitenwereld geworden. Met deze nieuwe mogelijkheden en een verschuivend mediagebruik wordt het internet de centrale agora van de postmoderne samenleving, zowel in de zin van mondiale ontmoetingsplaats voor mensen als van globale marktplaats voor goederen en diensten. Volgens mijn Amsterdamse collega Kees Brants leidt bovendien een toenemende ‘orientation towards consuming and materialising personal desires’ ertoe dat het publiek nieuws, politiek en publieke goederen steeds meer vanuit een instrumentele instelling gaat benaderen, waardoor het vermogen van media om sociale cohesie, collectieve waarden en consensus te organiseren wordt ondergraven. Deze individualisering en ontideologisering van de mediaconsumptie past ook in de - bredere - ontwikkeling van moderniteit naar postmoderniteit. In het postmoderne paradigma, zo schrijft mijn Zuidafrikaanse collega Pieter Fourie, “the media have become so big, so varied, so omnipresent that they can no longer be described meaningfully or comprehensively in terms of old theories and philosophies”. In deze onbegrensde context wordt het voor journalisten en media steeds moeilijker om nog een eigen niche af te bakenen. Pavlik spreekt in dit verband over een ‘fluid and volatile journalism’, terwijl Deuze het houdt op ‘liquid journalism’, vloeibare journalistiek die moet kunnen omgaan met, zoals hij het met Baumann uitdrukt, “an increasingly complex and liquid modern society”.

De derde en laatste transformatie die ten grondslag ligt aan de paradigmawisseling in de journalistiek betreft de mediasector zelf. We hebben gezien dat de aansturing van de media in de afgelopen twintig jaar sterk verschoven is, van de maatschappij naar de markt. Openbare informatie is in betrekkelijk korte tijd van ‘merit good’ tot marktwaar geworden. Een en ander is het gevolg van twintig jaar liberalisering van de media, op nationaal en vooral ook op Europees niveau. Gelet op de recente, bezorgde debatten over de media realiseren we ons kennelijk nu pas de gevolgen van deze beleidskeuzes uit het jongste verleden. En er zit wellicht ook een zekere onvermijdelijkheid in deze ontwikkeling; de combinatie van individuele technologie en een geïndividualiseerd publiek leidt ertoe dat we ons vaker consument en minder vaak burger voelen, en dat het vertrouwen in het marktmechanisme als organisatiebeginsel voor het maatschappelijk leven - en de huidige crisis doet daar weinig aan af - is gegroeid. Door al deze ontwikkelingen is er intussen een samenhangend mediastelsel ontstaan, met een bijbehorende commerciële en competitieve mediacultuur die een eigen dynamiek volgt, met de ‘hypes’ en ‘pack journalism’ waarover collega Vasterman schrijft, leidend tot de opmars van de veelbesproken ‘medialogica’, die per saldo een commerciële logica is. Deze veranderingen hebben grote gevolgen voor de diversiteit aan opinies en smaken die de media ons voorhouden. In de verzuilde periode kenden we de ‘pluriformiteit als afspiegeling’, waarin media vooral het geluid van de eigen groep representeerden. Met de ontzuiling heeft deze afspiegelende pluriformiteit plaatsgemaakt voor ‘pluriformiteit als openheid’, waarin media ruimte maakten voor het hele spectrum aan opinies en smaken. Nu echter dreigt deze open diversiteit op haar beurt te worden ingeruild voor wat ik zou willen noemen ‘pluriformiteit als polarisatie’, waarin onderling concurrerende, commercieel opererende media vooral een podium bieden voor de meest uitgesproken opinies en smaken, waarin het midden verkruimelt en de extremen alle ruimte krijgen. ‘Media hielpen Wilders in het zadel’, kopte onlangs de Volkskrant op basis van een onderzoek van de Nationale Nieuwsmonitor door Otto Scholten en Nel Ruigrok.

Wat betekenen al deze ontwikkelingen nu voor de journalistiek? Mark Deuze, die sinds zijn vertrek uit Amsterdam naar de Verenigde Staten een van de meest productieve auteurs over dit onderwerp geworden is, vindt dat veel, relatief vroege auteurs over dit onderwerp, waaronder ikzelf, teveel vastzitten aan het traditionele paradigma van de journalistiek als - in zijn woorden – “storytelling by journalists for citizens”, waarbij de nieuwe mogelijkheden om burgers te betrekken bij – wat hij noemt - “participative, connective storytelling” nog te weinig in de beschouwing betrokken worden. Hoewel ik vind ik dat Mark Deuze wel eens wat te enthousiast is over de nieuwe technologische mogelijkheden, heeft hij – zoals we het modern zeggen – zeker een punt. Deuze stelt voor de journalistiek van de toekomst een vierdelige typologie voor. Hij bouwt daarbij voort op de tweedeling die ik eerder in mijn proefschrift voorstelde, van enerzijds een oriënterende journalistiek, die in de beste journalistieke traditie oriëntatie biedt aan een algemeen publiek, en anderzijds een instrumentele journalistiek die gebruikmakend van de mogelijkheden van de nieuwe technologie functionele en gespecialiseerde informatie biedt aan geïnteresseerde doelgroepen. Bovenop mijn tweeledige typologie stelt hij een tweetal nieuwe vormen van journalistiek voor, waarin de nadruk niet zozeer ligt op de vervaardiging van redactionele inhoud, maar op het gebruikmaken van de mogelijkheden tot verbinding en terugkoppeling met het publiek die computergelateerde media bieden. In aansluiting op andere literatuur stelt hij de concepten van ‘monitorial’ en ‘dialogical journalism’ voor. Hij komt zo met verschillende journalistieken waarin de nadruk ligt op ofwel de productie van redactionele inhoud op basis van een beperkte en imaginaire opvatting van het publiek ofwel gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden tot connectiviteit, verbinding en terugkoppeling met het publiek. Op de andere – verticale – as maakt hij, in het verlengde hiervan, een onderscheid tussen een meer gesloten journalistieke cultuur, aansluitend op de journalistieke traditie, enerzijds en anderzijds een meer open journalistieke cultuur, aansluitend bij de dialogische mogelijkheden van de nieuwe media.

Dit continuüm tussen content en connectiviteit heeft niet alleen betrekking, het moet nadrukkelijk gezegd worden, op de nieuwe, vierde vorm van journalistiek die we online- of internetjournalistiek zijn gaan noemen, maar dit alles heeft evenzeer gevolgen voor de journalistieke professie als geheel, juist vanwege de toenemende verwevenheid en samenvloeiing van oude en nieuwe communicatievormen. Ter afsluiting van dit deel wil ik, op het gevaar af dat de typologieën over elkaar heen buitelen, op basis van de voorgaande beschouwing nog een overzicht bieden van de voornaamste verschillen tussen de door mij eerder benoemde traditionele industriële, institutionele en de nieuwe, individuele netwerkjournalistiek.

INSTITIONELE JOURNALISTIEK NETWERKJOURNALISTIEK

Allocutie Consultatie, conversatie

Eenrichtingsverkeer Interactiviteit

Imaginair publiek Actief publiek

Productie inhoud (content) Connectiviteit

Lineaire transmissie Dialogische communicatie

Gesloten journalistieke cultuur Open journalistieke cultuur

Paternalisme Dienstbaarheid

III.

Dames en heren, we hebben aangegeven dat journalistiek wellicht een oud beroep is, maar dat de journalistiek zoals we die nu kennen – in essentie dagbladjournalistiek, met extensies naar televisie, radio en tijdschriften – een voortbrengsel is van de moderniteit. Afgemeten aan de formele sociologische kenmerken van een professie is de journalistiek misschien een professie te noemen, maar tegelijkertijd ook een onvoltooide of onvoldragen professie. De journalistiek is vooral zwak in haar cognitieve kern, zij claimt noch krijgt een eigen kennismonopolie toegekend – een euvel wat zij overigens deelt met generalistische disciplines zoals sociologie of communicatiewetenschap - en zij heeft - anders dan de onderzoekers in deze disciplines - evenmin een uitgewerkte, gedeelde en transparante methodologie. De journalistiek is relatief sterker wat betreft haar normatieve en ethische inbedding, maar dit is slechts beperkt verankerd, want vrijwillig, niet afdwingbaar en vooral op het niveau van de mediaorganisatie gewaarborgd (zoals het redactiestatuut en de scheiding van redactie en commercie).

Daarna hebben we vastgesteld dat de journalistiek thans de grootste transformatie in haar, althans moderne, bestaan doormaakt, omdat in de eerste plaats de technologie verandert, van collectivistische ‘we-media’ naar individualistische ‘i-media’. Deze technologische trend past naadloos op de maatschappelijke ontwikkeling van decollectivisering en individualisering die al eerder heeft plaatsgevonden en die nu ook in de media de ruimte krijgt. Dat betekent overigens niet dat individuele bediening de norm wordt en er geen ruimte is voor gemeenschapsvorming; het belang van communicatie en ‘social media’ in relatie tot internet geeft aan dat deze vooral op andere, meer gevarieerde en wisselende wijze tot stand komt. De nieuwe technologische mogelijkheden en de tegemoetkoming aan individuele informatie- en communicatiebehoeften vindt, zo zagen we verder, vooral via de markt plaats en steeds minder op basis van maatschappelijke sturing. Dit geldt vooral voor de bestaande media; op internet is voortbouwend op de anarcho-liberale pioniersperiode de publieke ruimte nog relatief groot, maar niemand weet of en hoe lang deze fase van vrijheid-blijheid zal voortduren (cf. het debat rond Google en mobiele communicatie).

Tegen deze achtergrond hebben we ook aangegeven dat de traditionele, institutionele journalistiek plaatsmaakt voor - wat ik noem – een nieuwe netwerkjournalistiek die zowel beantwoordt aan de mogelijkheden van de nieuwe netwerktechnologie als aan de behoefte van een geïndividualiseerde en gemediatiseerde samenleving. Hiermee geef ik een algemene trend aan omdat voor de professie, meer nog dan vroeger, geldt dat er niet een journalistiek maar dat er meer journalistieken zijn, zoals ook uit de besproken typologie blijkt. Tegelijkertijd geloof ik dat de aard van de mediatechnologie – eerst het gedrukte woord, later audiovisuele media als radio en televisie, en nu computergerelateerde media als internet – medebepalend is voor het type informatiebemiddeling dat de journalistiek biedt. Waar de traditionele krantenjournalistiek vooral gericht was op de productie van content – of laten we eerlijk zijn, vaak vooral de reproductie van inhoud – zijn voor de nieuwe netwerkgerelateerde journalistiek kenmerken als interactiviteit en connectiviteit onderscheidend, met ook alle gevolgen van dien voor de journalistieke cultuur die daardoor meer open en minder zelfreferentieel wordt.

Welke toekomst is er te midden van al deze veranderingen voor de journalistieke professie? Ik vrees dat de journalistiek ‘as it is’ in deze nieuwe wereld betrekkelijk weerloos is, niet omdat ze slechte producten voortbrengt, maar vooral omdat ze zich onvoldoende profileert en zich letterlijk slecht verkoopt. Ik ben het eens met journalisten die vinden dat we moeten kiezen voor kwaliteit, maar ik denk dat dat alleen niet voldoende is. We hebben gezien dat de journalistiek in haar cognitieve kern, in haar claim op een kennisdomein en bijbehorende vaardigheden, zwak staat, deels uit keuze en deels uit onvermijdelijkheid. De normatieve schil is sterker ontwikkeld, maar – anders dan bij andere professies – vooral institutioneel, op het niveau van de mediaorganisatie - en minder individueel - op het niveau van de individuele professional - verankerd. Daarmee staat de journalistiek in de nieuwe, open en multimediale mediaomgeving relatief zwak. En dat terwijl journalisten zo niet kwalitatief dan toch kwantitatief steeds verder achterop geraken ten opzichte van de waterdragers van de publiciteit, zoals voorlichters, woordvoerders en andere reputatiebehartigers. Volgens een recent onderzoek gedaan door onze collega’s aan de Universiteit van Amsterdam zou deze verhouding intussen zelfs een op tien zijn.

Om toekomst te hebben moet de journalistiek twee dingen doen: zich intern verder professionaliseren en zich extern sterker profileren. Als journalisten getalsmatig intussen allang in de minderheid zijn, is het des te meer nodig dat ze hun kwaliteit tonen. Naar binnen toe moet de journalistiek haar onwil opgeven om een volwassen professie te worden, vanwege vermeende strijdigheid met de uitingsvrijheid en de status van open professie. De cognitieve kern moet versterkt worden door de inhoudelijke en methodische kennis en vaardigheden te verbeteren en de opleidingen, ook academisch, te versterken. Hetzelfde geldt voor het – op zich beter ontwikkelde – normatieve en ethische kader van de professie. De eigen opdracht en werkwijze moeten beter worden geëxpliciteerd en wellicht ook meer gesanctioneerd worden. Begrijp me goed: ik pleit er niet voor om de toegang tot de professie te sluiten, journalistiek blijft een open beroep en iedereen mag zo noemen. Er is hier sprake van een zekere paradox. In het verleden noemden journalisten hun beroep open, maar in de praktijk werd hun beroep afgeschermd en beschermd door de Berlijnse muren van de mediaorganisatie. Nu is er steeds meer sprake van een open mediaveld, waarin journalisten naar mijn overtuiging alleen kunnen overleven door hun terrein helder af te bakenen. En er is nog een ander argument. Naarmate journalisten meer alleen komen te staan, als freelancer of ZZP-er, minder deel uitmaken van centrale redacties en vaker van rol moeten wisselen – soms zijn ze journalist, maar soms ook voorlichter - is het bovendien belangrijker om de inhoudelijke en ideologische kwalificaties individueel, en niet vooral via institutionele arrangementen en ‘training on the job’, bij te brengen.

Naar buiten toe moeten journalisten hun traditionele terughoudendheid laten varen om voor hun onderscheidendheid uit te komen. Vroeger boden zij ‘augmented reality’, in de toekomst zullen ze vooral ‘augmented quality’ moeten bieden. Tot dusverre waren de kwaliteit en betrouwbaarheid van journalistieke producten vooral verbonden met de herkenbaarheid, de titel of het merk, van de krant of de omroep. Maar naarmate media-inhouden migreren naar het web, worden vertrouwde mediapakketten ontbundeld, en moet de herkomst van product en producent ook op individueel niveau herkenbaar zijn en beter ‘gebrand’ worden. Te midden van alle gratis informatie is journalistieke toevoeging relatief kostbaar, en daarom is het voor journalisten essentieel dat hun producten herkenbaar zijn, door enerzijds de eigen producten duidelijk te labelen en door anderzijds te verhinderen dat commerciële boodschappen meeliften met onafhankelijke journalistiek. Tegenover alle gratis en gestuurde informatie behoeft goede en betaalde journalistiek een keurmerk waarmee de aard en kwaliteit van product en maker herkenbaar gemarkeerd worden. Journalistiek moet, in de termen van onze commerciële tegenvoeters, een sterk merk worden. Tegelijkertijd moet de journalistiek ook proberen om te verhinderen dat gestuurde informatie – zoals voorlichting, reclame of reputatiebehartiging – onder de vlag van journalistiek verkocht kan worden. Op korte termijn mogen deze praktijken profitabel zijn voor media die aanvullende inkomstenbronnen zoeken, maar op lange termijn is het desastreus voor het vertrouwen in media en journalistiek en ondermijnt het de basis waarop professie en bedrijfstak berusten. Dit uitkomen voor de kwaliteit en herkomst van de informatie biedt niet alleen bescherming voor journalisten, maar evenzeer voor de burger, en hier heeft de overheid – die consumentenbescherming als doelstelling van mediabeleid nadrukkelijk in haar vaandel voert – wellicht ook een taak. [ Met dit alles wil ik overigens niet zeggen dat persuasieve informatie, anders dan door middel van advertenties, op voorhand geweerd moet worden. Met de grens tussen journalistieke en persuasieve informatie mag wat mij betreft best wat creatiever worden omgegaan, zolang de status van de aangeboden informatie maar voor de gebruiker duidelijk wordt aangegeven. ] [ Ook binnen bestaande media-instituties worden om economische redenen de al genoemde Berlijnse beschermingsmuren rond de professie geslecht; de contacten en samenwerking tussen redactie enerzijds en de afdeling marktbewerking anderzijds worden steeds inniger, en ‘branded content’ die bij tijdschriften al meer regel dan uitzondering was, sijpelt ook in de dagbladen door – eerst bij de gratis en nu ook bij de betaalde oplagen. ] Naarmate de institutionele garanties voor onafhankelijkheid – via de scheiding van redactie en commercie en redactiestatuten - afbrokkelen en inhoud en marketing nauwer verweven worden, mede dankzij de mogelijkheden tot terugkoppeling die de nieuwe technologie biedt, moet het ethisch besef als gezegd sterker in de individuele beroepsbeoefenaar verankerd worden.

Opleiding is, als gezegd, een belangrijke peiler voor deze verdere professionalisering en profilering van de journalistiek. Het is daarom goed dat, bovenop het zeer verdienstelijke werk dat de HBO-opleidingen sinds bijna een halve eeuw verrichten, in recente decennia de opleiding in de journalistiek ook een academische component krijgt, zoals ook in de meeste buitenlanden het geval is. Dit is goed voor de studie van en de reflectie op de journalistiek, zoals ook blijkt uit het nieuwe nummer van het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap onder redactie van Kees Brants en Peter Vasterman dat voor het eerst een overzicht geeft van de stand van ‘journalism studies’ in Nederland. Het geeft aan dat we nog aan het begin staan, maar tevens dat we een stuk verder zijn dan tien jaar geleden toen Frank van Vree, Huub Wijfjes, Chris Vos en ondergetekende een conferentie over dit onderwerp bij de KNAW organiseerden, resulterend in het boek Journalistieke Cultuur in Nederland. Sinds een jaar levert ook deze universiteit haar bijdrage aan de academisering van de journalistieke opleiding in ons land. Dat is laat, gelet ook op het feit dat deze universiteit ooit de allereerste deeltijdse opleiding in de journalistiek aanbood, vlak na de oorlog. Omdat er in de laatste jaren verschillende initiatieven aan deze universiteit opkwamen, waaronder een minor en een bijzondere leerstoel, hebben het college van Bestuur en de decanen van Letteren en Sociale Wetenschappen een tweetal hoogleraren, waaronder ikzelf, gevraagd te verkennen wat de mogelijkheden waren voor een gezamenlijke master Journalistiek aan deze universiteit. Op basis van deze verkenning, die naast de genoemde trend tot academisering ook een regionale lacune vaststelde (er is immers geen academische voorziening in het zuiden van het land), is gekozen voor een behoedzame aanpak. Daarom is geen volledig nieuwe master opgezet, maar geopteerd voor twee samenwerkende specialisaties binnen bestaande studies: enerzijds Journalistiek en Media, binnen Communicatiewetenschap (Sociale Wetenschappen), en anderzijds Journalistiek en Organisatie, binnen Bedrijfscommunicatie (Letteren), met een deels gezamenlijk en deels afzonderlijk programma. We willen – en kunnen – in een enkel masterjaar geen full-fledged journalisten afleveren; we pretenderen ‘journalistiek georiënteerde academici’ op te leiden die kennis van hun eigen discipline combineren met een journalistieke aanvulling. Immers, kwaliteitsmedia nemen allang vooral academici in dienst, en wij bieden onze studenten bovenop hun eigen discipline kennis van journalistiek en media. In het afgelopen, eerste jaar hebben bij elkaar een kleine twintig studenten deze mastervarianten gevolgd. We richten ons daarbij op een breed journalistiek spectrum: zowel het meer op algemene media gerichte Journalistiek en Media als het meer op persuasieve communicatie gerichte Journalistiek en Organisatie. De samenwerking tussen beide faculteiten, Letteren met kennis van taal en communicatie, en Sociale Wetenschappen met kennis van media en samenleving, blijkt goed voor het programma en zowel studenten als docenten goed te bevallen. Ook de samenwerking met de praktijk, niet via een stage maar middels onderzoeksprojecten die ter redactie worden uitgevoerd: afgelopen jaar onder meer bij De Gelderlander en de NOS, verloopt naar wens. Dit jaar zijn we zojuist met een kleine dertig studenten begonnen, en in dit jaar willen we toekomen aan de zaken die in het eerste jaar zijn blijven liggen: externe publiciteit, een website en, last but not least, een eigen onderzoeksprogramma. Wat betreft het laatste: we hebben kort geleden een onderzoeksopdracht van de Vlaamse overheid ontvangen om het journalistiekonderwijs aldaar, via HBO, WO en bedrijfsopleidingen, te inventariseren en evalueren, met het oog op nieuw te ontwikkelen beleid. We zullen, gelet ook op de lopende bezuinigingen, veel met bestaande menskracht moeten doen, maar gelukkig heeft de Radboud Universiteit en Communicatiewetenschap al een mooie onderzoekstraditie op terreinen als journalistiek en nieuws, journalistiek en internet en lokale en regionale informatievoorziening. Ook hierbij gaat het deels om nieuwe activiteiten, maar tevens om het beter branden van bestaand onderzoek. Ik word hierbij ook geholpen door een drietal promovendi die allen onderzoek doen op het grensvlak van mijn nieuwe en oude onderzoeksveld: enerzijds journalistiek en anderzijds media en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

IV.

Dames en heren, ik sluit af met een dankwoord. Graag wil ik om te beginnen deze rede opdragen aan mijn twee alma maters, mijn twee voedende en zorgende moeders. In de universitaire wereld staat deze Latijnse uitdrukking sinds 1088, toen de universiteit van Bologna dit als motto gaan voeren, voor de universiteit waar je gestudeerd hebt. Tegen het einde van mijn loopbaan kan ik wel zeggen dat deze universiteit het begin en het einde markeerde. Bij de opening van het academisch jaar kenschetste de rector deze universiteit als een emancipatiemachine, vroeger voor katholieke kinderen uit eenvoudige milieus en nu voor mensen met een allochtone herkomst. Voor mij, ik heb het de vorige keer al gezegd, heeft het zeker zo gewerkt, en ik ben daar deze universiteit buitengewoon dankbaar voor.

Maar persoonlijke emancipatie lukt vooral als je uit een goed en warm nest komt. En daar komt mijn tweede alma mater, mijn eigen goede moeder, in beeld, die trouwens precies hetzelfde geboortejaar heeft als de eerste, 1923. De vorige keer zat mijn vader hier nog fier vooraan, met zijn hoed op, want die ging alleen thuis en in de kerk van het hoofd. Mijn vader was er voor de ambitie, hij stimuleerde ons het beste uit onszelf te halen, en nu hij er niet meer is, realiseer ik me dat meer dan ooit. Maar mijn moeder zorgde voor de samenhang en warmte in ons grote gezin, en ik ben dankbaar dat zij, en al mijn broers en zussen, er nog zijn.

Tot 1 maart van dit jaar was ik bijzonder hoogleraar Mediabeleid, als opvolger van Kees van der Haak, en aangesteld door de Stichting Nijmeegs Universiteitsfonds. Ik dank de Stichting, mijn voorganger en de leden van de betrokken commissies, Karsten Renckstorf, Erik Jurgens, Richard Schoonhoven en Lou Lichtenberg zeer voor het vertrouwen en de begeleiding in twee termijnen bijzonder hoogleraarschap. Volgens mij ben ik jullie nog een eindverslag verschuldigd.

Sinds 1 juli 2009 ben ik gewoon hoogleraar Journalistiek en Media aan deze alma mater. Ik ben de rector, de voorzitter van het College van Bestuur, Rudolph de Wijkerslooth de Weerdesteyn, de decaan en de directeur van de faculteit Sociale Wetenschappen zeer erkentelijk voor het in mij geschonken vertrouwen. De opzet en uitwerking van de nieuwe mastervarianten Journalistiek heb ik in eerste instantie gedaan samen met collega Maarten Steenbergen en even later ook collega Margot van Mulken, en nu samen met mijn counterpart bij Bedrijfsjournalistiek aan de Faculteit Letteren, dr. Jose Sanders, die zelfs haar verjaardagsfeest heeft verdaagd om hier aanwezig te kunnen zijn. In eigen huis kan ik rekenen op de bijstand van een klein team, met Liestbeth Hermans, Kees Buijs, Gabi Schaap en Henk Westerik. En zoals ik al zei, hebben ook de media waar we ons gemeld hebben voor medewerking aan observatie en onderzoek positief gereageerd, waaronder de krant die ik al van kindsbeen af ken, de Gelderlander, en mijn oude werkgever, de NOS.

Ik dank ook de sectie Communicatiewetenschap, met collega-hoogleraren Beentjes en Wester, en naaste collega’s Leen d’Haenens en Ed Hollander en alle anderen, die ondanks lastige tijden van bezuiniging en herstructurering de spirit hooghouden.

Mijn gedeeltelijke terugkeer naar Nijmegen was niet mogelijk geweest zonder de medewerking van mijn collega’s bij Communicatiewetenschap in Amsterdam, waar ik na ruim vijftien jaar NOS mijn academische loopbaan begonnen ben: mijn hoogleraar Jan van Cuilenburg, samen met Wim Noomen ook mijn promotor, het management met Peter Neijens, Claes de Vreese en Connie de Boer, en naaste collega’s van het vroegere Beleidsstudies zoals Kees Brants, Piet Bakker, Cees Hamelink en Richard van der Wurff.

Ik ken veel collega Communicatiewetenschappers die goede kennissen zijn geworden, maar slechts twee die ik naaste vrienden mag noemen: dat zijn mijn vroegere paranimfen Dr. Addy Kaiser en Drs. Marit Vochteloo, dank voor jullie niet aflatende inhoudelijke en vriendschappelijke steun en weerwerk.

Ik heb de laatste jaren ook veel adviserend werk gedaan, ten behoeve van het mediabeleid en in het kader van visitaties in het onderwijs en de omroep. Ik wil zonder verder namen te noemen, de mensen met wie ik gewerkt bij de Raad voor Cultuur, de Publieke Omroep, het ministerie van OCW, het Stimuleringsfonds voor de Pers (?) van harte danken. Ik wens jullie ook veel sterkte in de strijd met en tegen de komende bezuinigingen en jullie op mijn verdere steun rekenen. Nederland geeft per hoofd van de bevolking in West-Europa het minste uit van heel Europa, op Spanje en Portugal na. Maar ik hoop dat onze nieuwe regering, ondanks het feit dat deze landen lang stabiele rechtse regeringen hebben gehad, aan deze landen geen voorbeeld zal nemen.

Helemaal tot slot nog twee bedankjes. Allereerst mijn studenten, die mij jong houden, ook door te zeggen dat ik met mijn 59 jaar weliswaar veel ouder ben dan hun ouders, maar dat je dat niet kunt zien (en ik ben graag bereid om dat te geloven). En als allerlaatste mijn lieve vriend Piet. Wij liepen ooit tegen het lijf in de mensa van deze universiteit. Ik ben er laatst nog eens langsgereden; de mensa en de studentenkerk zijn, ondanks kerkelijke inzegening, intussens afgebroken, maar onze relatie staat, ook zonder kerkelijke inzegening, na bijna veertig jaar nog recht overeind.

Ik heb gezegd, en ik geef graag het woord terug aan de rector.

© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.

 
Reacties
laatste eerstSorteer reacties
Mijn mening: John Kleijn

Keurmerk dat kennen we als geen ander, dit zegt helemaal niets aan de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid en helemaal niet bij deze gecensureerde journalistiek die vaak onjuiste informatie en onvolledige eenzijdige informatie weergeven. Wie betaald die bepaald. Hoogleraarschappen zijn in deze tijd ook erg discutabel en helemaal als ik dan dit soort uitlatingen lees. En helemaal bijzonder als ik dan ook lees vanuit welke Universiteit dit heerschap komt en zijn hoog leraarschap heeft mogen ontvangen. We kennen dit soort promoties. De burger heeft inmiddels zijn eigen waardeoordeel erover. De burger wil gewoon volledige en betrouwbare en geen gecensureerde informatie en over de onafhankelijkheid is helemaal ter discussie te stellen. Dan wil ik de goede journalisten buiten beschouwing laten. De burger bepaald zelf wel wat hij betrouwbaar en onafhankelijk vind gezien de ervaringen die er momenteel is bij de huidige media en journalistiek. En nogmaals deze keurmerken zegt helemaal niets. Keurmerken is elkaar de bal toespelen en zeker wordet dit goed aangestuurd.



Kijk en luister zelf en doe uw eigen waardeoordeel over deze onafhankelijke en ongecensureerde journalistiek, houd uw zakdoek erbij.

Rotary en journalistiek

KLIK HIER:

http://www.youtube.com/watch?v=kjiw9hgQBfU



De mond snoeren is nu veel te laat en helemaal dit soort hoog leraren is te treurig gewoon voor woorden. Dit soort personen worden ook nog even een hoog leraarschap geschonken en hier zijn ook ruime vergoedingen aan gekoppeld. Zo werkt dat met dit systeem. Daar gaat al ons geld van de burger heen naar dit soort lachwekkende heerschappen.

Ik weet ondertussen wel de kwaliteit van keurmerken, is in ieder geval niet in belang voor de burger. Dit kost een vermogen deze keurmerken en is een keurmerk voor het systeem voor hunzelf intact te houden. Hou je je niet aan de gedragscode door zwijgzaam te zijn dan dan geen keurmerk. We kennen deze keurmerken vanuit de gezondheidszorg en andere branches, je kan letterlijk je achterwerk ermee afvegen. Maar de burger kan hier veel voor betalen.

De burger is niet deelnemer van dit soort eigen keurmerken, slager die zijn eigen vlees keurt. De burger mag alleen betalen.

Beste hoog leraar veel plezier met uw eigen keurmerk en die van uw Radboud Universiteit!

U kan de burger niet onderdrukken en de mond snoeren met uw hoog leraarschap en uw eigen keurmerk!
John Kleijn - 18-09-2010 | 10:36

Reageren

blij blozend boos cool verrast droevig egaal gemeen huilend vertwijfeld knipoog lachen rollendeogen tongeruit wijdogig

Reacties van bezoekers op artikelen op deze site zijn meer dan welkom.

Echter: reacties die kwetsend, onnodig grof of beledigend zijn worden niet

geplaatst.

Klik voor de uitgebreide versie van de spelregels







Nederland moet nooit meer aan het Eurovisie-songfestival meedoen.