Gerrit Jansen: Speuren naar prenten in de sneeuw

  dinsdag 19 januari 2010 | 10:49 | Laatst bijgewerkt op: vrijdag 22 januari 2010 | 10:31

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
Prent van ree. foto Claudia Roskam ;Het sleepspoor van de lange staart wijst naar de passage van een fazant. Ook is nog een afdruk van een konijn zichtbaar. foto Gerrit Jansen

Prent van ree. foto Claudia Roskam ;Het sleepspoor van de lange staart wijst naar de passage van een fazant. Ook is nog een afdruk van een konijn zichtbaar. foto Gerrit Jansen

foto Gerrit Jansen

foto Gerrit Jansen

1/2
start playing the slideshow

Op een bodem met een paar centimeter fijnkorrelige sneeuw maken voeten duidelijke prenten. Als het sneeuwdek te dik is, zien we diepe putjes. Is de sneeuw droog en los, dan storten de randen van de prenten in.

De afdrukken in dergelijke sneeuwdekken zijn alleen door specialisten te determineren. Voor de doorsnee natuurliefhebber met enige voetenkennis zijn de handschriften van de meest bekende zoogdieren en vogels wel te lezen.

Dieren maken altijd 'indruk' op de bodem waarover zij zich verplaatsen. Van een diepe indruk is alleen sprake bij de zware jongens, zoals herten en reeën, wilde zwijnen, vossen, konijnen, hazen en fazanten. Muizen hebben vaak te weinig gewicht om sporen na te laten. In een dun laagje sneeuw en in vochtig, uiterst fijn duinzand gebeurt dat wel.

Kennis en interpretatie van diersporen waren voor natuurvolken, die van de jacht moesten leven, een zaak van leven of dood. Uit de kentekens die de dieren achterlieten, bepaalden de jagers of het de moeite waard was het spoor te volgen.

Speuren naar sporen is voor de mens geen noodzaak meer, het is nu een aangename hobby geworden. Als we gaan spoorzoeken mogen een sporengids en een liniaaltje niet ontbreken. En we moeten foto's maken: leg de liniaal naast de meest leesbare prent, dat vergemakkelijkt het determineren.

Groepen zoogdieren hebben karakteristieke voeten. Zo zijn roofdieren over het algemeen teengangers; ze lopen op hun tenen. Aan de voorpoten hebben ze vijf tenen en aan de achterpoten vier. Meestal zien we alleen afdrukken van de eeltkussentjes; in zachte bodems ook de afzonderlijke tenen met nagels. Paarden lopen op de punten van hun tenen. Daarom noemen we ze topteengangers. Topteengangers zijn evenhoevig of onevenhoevig. Onevenhoevigen, zoals konikpaarden zien we in veel natuurgebieden.

Een ree is een evenhoevige. Reeën hebben aan iedere poot vier hoefjes, waarvan er slechts twee op de grond komen. In een zachte bodem zijn vaak alle vier hoefjes zichtbaar.

Als we speuren naar prenten is het goed om niet alleen op de voetafdruk, maar ook op het prentpatroon te letten. Stap, draf en galop zijn af te leiden uit de wijze waarop de afzonderlijke prenten ten opzichte van elkaar zijn neergezet. Bij de stap wordt elke poot op een ander moment van de grond getild. De paslengte is kort en de verplaatsing gebeurt langzaam.

Bij kortbenige dieren, zoals een mol en een rat, kan een sleepspoor van de staart zichtbaar zijn. Bij draf neemt de snelheid toe. Afwisselend worden de diagonaal tegenover elkaar liggende poten tegelijkertijd verplaatst; dus rechtsvoor tegelijk met linksachter en linksvoor met rechtsachter. De paslengte wordt groter en de prenten overlappen elkaar.

Vos en ook huishond verplaatsen zich bijna altijd in draf. In galop zit de vaart er echt in. Op een bepaald moment zijn alle vier de poten los van de grond.

De voorpoten leveren de belangrijkste afzet. Bij galop komen de achtervoeten voor de voorvoeten terecht. De prenten zijn afzonderlijk zichtbaar. Hert, ree en vos verplaatsen zich op deze wijze als zij onraad bespeuren.

Marterachtigen zoals de bunzing kennen zelfs de spronggalop. Het dier werpt zich tijdens de vlucht in een boog vooruit en komt dan op beide voorpoten neer. De achtervoeten komen dan op de plaats terecht waar even eerder beide voorvoeten hebben gestaan. Zo ontstaat een dubbelafdruk, die de indruk wekt dat het dier maar twee voeten heeft.

Vogels lopen meer dan we denken en dat was in menig tuin de laatste weken goed te zien. De grootte van de prenten is voor de herkenning van wezenlijk belang. Een voet van een roodborst verschilt niet veel van die van een merel, maar is wel aanmerkelijk kleiner. Laat de afdruk een zwemvlies zien, dan weten we al heel wat meer. Bij de meeste vogels staan drie van de vier tenen naar voren; de vierde is de achterteen. Deze teen kan groot zijn, zoals bij de zangvogels, maar is ook wel klein en zit dan zo hoog aan de poot, dat hij geen afdruk in de prent achterlaat.

Als we opnieuw sneeuw krijgen, ga dan eens 's morgens heel vroeg op pad. Dan is er in de boeken van de nachtdieren nog heldere taal geschreven en niet gekladderd door Jan en Alleman, waardoor het geheel onleesbaar wordt. Een aanrader om mee te nemen op speurtocht is de Veldgids diersporen van Annemarie Diepenbeek (KNNV-uitgeverij ISBN 90 50 11 114-9). Kijk vooraf op www.zoogdiervereniging.nl , 'sneeuwsporen herkennen'.

© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.

 
Reacties
laatste eerstSorteer reacties
Gerrit Jansen Speuren naar prenten in de sneeuw.. Awful :)
www.gelderlander.nl - 05-06-2011 | 04:20

Reageren

blij blozend boos cool verrast droevig egaal gemeen huilend vertwijfeld knipoog lachen rollendeogen tongeruit wijdogig

Reacties van bezoekers op artikelen op deze site zijn meer dan welkom.

Echter: reacties die kwetsend, onnodig grof of beledigend zijn worden niet

geplaatst.

Klik voor de uitgebreide versie van de spelregels