Prent van ree. foto Claudia Roskam ;Het sleepspoor van de lange staart wijst naar de passage van een fazant. Ook is nog een afdruk van een konijn zichtbaar. foto Gerrit Jansen
foto Gerrit Jansen
Op een bodem met een paar centimeter fijnkorrelige sneeuw maken voeten
duidelijke prenten. Als het sneeuwdek te dik is, zien we diepe putjes. Is de
sneeuw droog en los, dan storten de randen van de prenten in.
De afdrukken in dergelijke sneeuwdekken zijn alleen door specialisten te
determineren. Voor de doorsnee natuurliefhebber met enige voetenkennis zijn
de handschriften van de meest bekende zoogdieren en vogels wel te lezen.
Dieren maken altijd 'indruk' op de bodem waarover zij zich verplaatsen. Van
een diepe indruk is alleen sprake bij de zware jongens, zoals herten en
reeën, wilde zwijnen, vossen, konijnen, hazen en fazanten. Muizen hebben
vaak te weinig gewicht om sporen na te laten. In een dun laagje sneeuw en in
vochtig, uiterst fijn duinzand gebeurt dat wel.
Kennis en
interpretatie van diersporen waren voor natuurvolken, die van de jacht
moesten leven, een zaak van leven of dood. Uit de kentekens die de dieren
achterlieten, bepaalden de jagers of het de moeite waard was het spoor te
volgen.
Speuren naar sporen is voor de mens geen noodzaak meer,
het is nu een aangename hobby geworden. Als we gaan spoorzoeken mogen een
sporengids en een liniaaltje niet ontbreken. En we moeten foto's maken: leg
de liniaal naast de meest leesbare prent, dat vergemakkelijkt het
determineren.
Groepen zoogdieren hebben karakteristieke voeten. Zo
zijn roofdieren over het algemeen teengangers; ze lopen op hun tenen. Aan de
voorpoten hebben ze vijf tenen en aan de achterpoten vier. Meestal zien we
alleen afdrukken van de eeltkussentjes; in zachte bodems ook de
afzonderlijke tenen met nagels. Paarden lopen op de punten van hun tenen.
Daarom noemen we ze topteengangers. Topteengangers zijn evenhoevig of
onevenhoevig. Onevenhoevigen, zoals konikpaarden zien we in veel
natuurgebieden.
Een ree is een evenhoevige. Reeën hebben aan
iedere poot vier hoefjes, waarvan er slechts twee op de grond komen. In een
zachte bodem zijn vaak alle vier hoefjes zichtbaar.
Als we speuren
naar prenten is het goed om niet alleen op de voetafdruk, maar ook op het
prentpatroon te letten. Stap, draf en galop zijn af te leiden uit de wijze
waarop de afzonderlijke prenten ten opzichte van elkaar zijn neergezet. Bij
de stap wordt elke poot op een ander moment van de grond getild. De
paslengte is kort en de verplaatsing gebeurt langzaam.
Bij
kortbenige dieren, zoals een mol en een rat, kan een sleepspoor van de
staart zichtbaar zijn. Bij draf neemt de snelheid toe. Afwisselend worden de
diagonaal tegenover elkaar liggende poten tegelijkertijd verplaatst; dus
rechtsvoor tegelijk met linksachter en linksvoor met rechtsachter. De
paslengte wordt groter en de prenten overlappen elkaar.
Vos en ook
huishond verplaatsen zich bijna altijd in draf. In galop zit de vaart er
echt in. Op een bepaald moment zijn alle vier de poten los van de grond.
De voorpoten leveren de belangrijkste afzet. Bij galop komen de achtervoeten
voor de voorvoeten terecht. De prenten zijn afzonderlijk zichtbaar. Hert,
ree en vos verplaatsen zich op deze wijze als zij onraad bespeuren.
Marterachtigen zoals de bunzing kennen zelfs de spronggalop. Het dier werpt
zich tijdens de vlucht in een boog vooruit en komt dan op beide voorpoten
neer. De achtervoeten komen dan op de plaats terecht waar even eerder beide
voorvoeten hebben gestaan. Zo ontstaat een dubbelafdruk, die de indruk wekt
dat het dier maar twee voeten heeft.
Vogels lopen meer dan we
denken en dat was in menig tuin de laatste weken goed te zien. De grootte
van de prenten is voor de herkenning van wezenlijk belang. Een voet van een
roodborst verschilt niet veel van die van een merel, maar is wel
aanmerkelijk kleiner. Laat de afdruk een zwemvlies zien, dan weten we al
heel wat meer. Bij de meeste vogels staan drie van de vier tenen naar voren;
de vierde is de achterteen. Deze teen kan groot zijn, zoals bij de
zangvogels, maar is ook wel klein en zit dan zo hoog aan de poot, dat hij
geen afdruk in de prent achterlaat.
Als we opnieuw sneeuw krijgen,
ga dan eens 's morgens heel vroeg op pad. Dan is er in de boeken van de
nachtdieren nog heldere taal geschreven en niet gekladderd door Jan en
Alleman, waardoor het geheel onleesbaar wordt. Een aanrader om mee te nemen
op speurtocht is de Veldgids diersporen van Annemarie Diepenbeek
(KNNV-uitgeverij ISBN 90 50 11 114-9). Kijk vooraf op
www.zoogdiervereniging.nl , 'sneeuwsporen herkennen'.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.






Sorteer reacties












