De rupsen van pijlstaartvlinders hebben allemaal de stekel of ‘pijl’ op het achterlijf; vandaar de naam. De namen van de vlinders, zoals ligusterpijlstaart, windepijlstaart en lindepijlstaart, zijn ontleend aan de voedselplant van de rups.
Veel meldingen de afgelopen twee weken van imponerende, pinkdikke rupsen met een stekel op het achterlijf en soms voorzien van dreigende nepogen. De kinderen van een aantal soorten pijlstaartvlinders gaan in deze tijd het jeugdstadium verlaten.
Ze gaan op zoek naar een geschikte plaats om te verpoppen. Meestal gebeurt dit in de grond. Na de winter, dient zich de nieuwe gevleugelde generatie aan.
Omdat pijlstaartvlinders zulke goede vliegers zijn, is het niet verwonderlijk dat een aantal van hen trekvlinder is. Al eeuwenlang vliegen er iedere zomer exemplaren van verschillende soorten in sterk wisselende aantallen vanuit het Middellandse-Zeegebied naar Midden- en Noord-Europa. De windepijlstaart bijvoorbeeld weet soms vanuit Afrika IJsland te bereiken. Dat de robuuste doodshoofdvlinder die afstand naar het noorden ook aflegt, bewijzen de waarnemingen van rupsen door lezers van deze natuurpagina.
De rupsen van de verschillende soorten pijlstaartvlinders vallen hoofdzakelijk op tijdens hun zoektocht naar een geschikte plek om te overwinteren. Als ze op de waardplant zitten, zijn ze vanwege de schutkleur moeilijk te ontdekken. Meestal zijn het de forse keutels en de vraatsporen die op hun aanwezigheid duiden. De rups van de lindepijlstaart is groenachtig met licht gekleurde spikkels en schuine gele zijstrepen met hier en daar wat rode vlekken. Als het tijdstip van verpoppen nadert, wordt hij violetkleurig en de pijl of stekel opvallend blauw.
Een lezeres plukte vorige week maar liefst zeven olifantsrupsen van groot avondrood, Deilephila elpenor, van haar fuchsia’s: vijf waren bruin, zoals op de foto, en twee knalgroen. Ze wilde de rupsen laten verpoppen. Ik heb haar dit afgeraden: groot avondrood is een inheemse, beslist geen zeldzame pijlstaartvlinder die gewoon buiten hoort te overwinteren.
Met het binnenshuis laten verpoppen van de rupsen van de doodshoofdvlinder heb ik geen moeite. In ons koude kikkerland eindigt de levenscyclus van deze immigrant zelfs in een zachte winter in het popstadium.
Omdat de dame van de zeven olifantsrupsen de schrokoppen -zeven van die jongens kunnen heel wat fuchsiablad aan- niet meer op haar troetelplanten wilde, heeft ze de rupsen tussen een andere voedselplant van deze soort, een aantal wilgenroosjes, los gelaten. Het ander maal zal even wennen zijn. Als de rupsen het wilgenroosblad niet eten, gaan ze waarschijnlijk eerder verpoppen; gezien het formaat waren ze daar al aan toe.
Strikte monofagie komt bij geen enkele Nederlandse pijlstaartsoort voor. Dit betekent, dat de vlinders op een aantal planten hun eieren kunnen afzetten. De voorkeur voor bepaalde voedselplanten is weliswaar genetisch vastgelegd, maar er kunnen individuele afwijkingen voorkomen.
Zo had ik eerst mijn twijfels bij de melding van de vondst van een rups van een doodshoofdvlinder op de vlinderstruik. Ik wist niet beter dan dat de rupsen zich met het loof van aardappel en andere planten uit de nachtschadenfamilie voeden. Rupsen van de inheemse ligusterpijlstaart worden ook aangetroffen op spirea, forsythia, es, Gelderse roos en kamperfoelie. Deze rupsen zijn dus sterk polyfaag.
Om predatie door roofvijanden te voorkomen, hebben de vlinderkinderen een aantal trucs in huis. Brandharen met daarin gifstoffen maken soorten zoals de dagpauwoog en de kleine vos onsmakelijk. Meer algemeen is de strategie van het niet of juist wel gezien worden.
De rupsen van groot avondrood combineren schutkleur met nepogen: een kwestie van verstoppen en bluffen. Het bluffen heeft alleen effect, wanneer de ogen bij verrassing in stelling worden gebracht. Bij gevaar trekt de rups de kop met de eerste leden van het lichaam in, waardoor de zwarte vlekken met witte halve maantjes van het vierde lid de belager schijnen aan te staren. De vijand, meestal een vogel, ziet in dit schrikbeeld een natuurlijke vijand, bijvoorbeeld een uil of een roofvogel en laat de rups met rust.
Ik ben tegen verzamelen en eigenlijk ook tegen het kweken van vlinders door hobbyisten, maar voor de rupsen van de doodshoofdvlinder maak ik graag een uitzondering. Als we een volgroeide rups tegenkomen en zeker weten dat het niet een inheemse soort betreft, is het de moeite waard de rups in huis te laten verpoppen.
Daarvoor hebben we slechts een grote augurkenpot of iets dergelijks nodig. Leg op de bodem tien cm niet al te vochtige tuinaarde. Als de rups nog eet, plaats dan in de pot een flesje met water met daarin verse takjes van de voedselplant. Steek een paar stokjes schuin in de aarde, zodat de vlinder, als hij uit de pop kruipt, omhoog kan klimmen en zich vast kan houden om de vleugels met lichaamsvocht te vullen en te laten drogen. Sluit de pot af met plastic folie met daarin een groot aantal luchtgaatjes. Plaats de opstelling niet in de zon.
Na vier tot zes weken zal een schoonheid van een pijlstaartvlinder tevoorschijn komen. Fotografeer haar en laat haar op een mooie najaarsavond naar buiten. Misschien vliegt hij of zij bij een gunstige wind wel naar Afrika, want daar horen deze vlinder thuis.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.





















