Geen huis zonder kwetterende huismussen. Zo was het vroeger, maar de tijden zijn veranderd. De Nederlandse broedpopulatie is in de laatste decennia met meer dan 50% achteruitgegaan. Wat is er aan de hand met de ‘kruimeldief’?
Regelmatig stellen lezers vragen over huismussen. Er spreekt bezorgdheid
uit: de mensen zien en horen de gevederde straatschoffies niet of nauwelijks
meer. De afname van de huismus begon rond 1980, maar kwam tien jaar later in
een stroomversnelling terecht. Ik kan mij in die tijd nog herinneren dat
Jules de Corte (1924-1996) als een van de eersten meldde dat er iets met de
huismus aan de hand was. De blinde dichter, liedjesschrijver en zanger had
een passie voor vogels. Jules keek met zijn oren. 'Aan de vogels hoor ik hoe
hoog de bomen zijn', is een treffende uitspraak van hem. 'Wat ik steeds
minder hoor, zijn de mussen. Hoe zou dat toch komen? Ik maak me echt zorgen
om de mussen. Vroeger had je veel meer mussen. Die gingen met z'n allen zo
te keer dat ik ze wel eens vroeg of het niet stiller kon.'
Ik weet
nog dat die tekst toen diepe indruk op mij maakte. Het onderstreepte dat
'gewoon' in de natuur ook 'buitengewoon' kan zijn. In die tijd had elk druk
bezet terrasje zijn terrasmussen. Als je bij de koffie een koekje kreeg,
moest je het snel opeten, anders was het voor de mussen. Heerlijk toch. Twee
maanden geleden was ik op Ameland. Het restaurant bij de Kooi, oostelijk van
Buren, heeft ook nu nog echte terrasmussen. Ze eten daar zelfs uit je hand.
In Amsterdam doen ze dit niet meer, als we tenminste de stadsecoloog Martin
Melchers moeten geloven. Hij vertelde onlangs nog dat er nog maar zo'n 5000
huismussen in de stad wonen. Tien jaar geleden waren dat er nog 40000. Hij
ontdekte tijdens zijn onderzoek dat een paartje sperwers in hartje Amsterdam
de jongen met maar liefst 400 huismussen heeft grootgebracht. Dat hakt erin,
maar een gezonde mussenpopulatie moet dat kunnen hebben. Roofvijanden kunnen
een populatie prooidieren decimeren, maar nooit uitroeien. Dat kan alleen de
mens.
Vijfentwintig jaar geleden, toen de tafelkleden nog buiten
werden uitgeklopt en er op de daken nog dakpannen lagen, die niet overal
even goed aansloten en de landbouwers nog veel graan verbouwden en morsten,
was er met de huismus niets mis. De broedpopulatie werd op anderhalf miljoen
paren geschat. Er was geen tuin zonder de brutaaltjes. Als ik de kippen
voerde, schoven er altijd tientallen mussen aan tafel. In de klimop, die
tegen de garage stond, sliepen er in de nazomer een paar honderd. Voordat
die 'de oogjes dicht en de snaveltjes toe' hadden, was het in het groen een
lawaai van jewelste. Die tijden zijn voorbij: in vijfentwintig jaar tijd is
de landelijke populatie ingezakt tot 500.000 paren. Reden om de huismus op 5
november 2004 op de Rode lijst te plaatsen. Veel landen in Europa hebben een
'Rode Lijst' van bedreigde planten- en diersoorten. Zo'n lijst is een
barometer van de biodiversiteit en maakt duidelijk welke soorten bescherming
verdienen. Maatregelen pakken soms gunstig uit. Met de ijsvogel, de
ooievaar, de lepelaar en de roodborsttapuit gaat het zo goed dat ze van de
Rode Lijst kunnen worden afgevoerd. Ook kerkuil en groene specht zitten in
de lift. Maar er zijn meer verliezers dan winnaars. De verliezers vinden we
vooral onder de boerenlandvogels en de moerasvogels. De vrije val van
grutto, veldleeuwerik, zomertaling en grote karekiet lijkt niet meer te
keren.
Zover mag het met de huismus niet komen. Daarom is het goed
dat Vogelbescherming Nederland met het 'Actieplan huismus' is gekomen.
Natuurlijk redden we de huismus niet door de tafellakens weer buiten uit te
kloppen. En ook het aanbieden van nestkasten, de zogenaamde 'mussenflats'
kan hooguit een pleister op de wonde zijn. Nee, er moet meer stedelijk groen
komen. Want ook de stadsvogels hebben buiten voedsel en nestgelegenheid
behoefte aan dekking. Het verwijderen van een oude klimop die al jaren tegen
de muur staat, kan zo maar een mussenpopulatie de das om doen. In een dichte
klimop wordt niet alleen genesteld, maar ook geslapen en dat laatste doen
mussen graag in elkaars gezelschap.
Ik weet niet of ik mij blij
maak met een dode mus, maar het aantal huismussen bij ons op de voertafel is
dit jaar minstens twee keer zo groot als de voorgaande drie jaren. Dat komt
misschien ook wel, omdat ik de kippen dit jaar weer buiten voer. Huismussen
hebben een groot aanpassingsvermogen. Van uitsterven zal dan ook geen sprake
zijn. Wel moeten we de ontwikkeling met argusogen blijven volgen. Daarom
moet er geteld worden. SOVON heeft daarvoor het Meetnet Urbane Soorten (MUS)
opgericht. Er wordt in postcodegebieden geteld. 400 postcodegebieden zijn
inmiddels bezet, maar er zijn meer tellers nodig. MUS wordt geheel digitaal
uitgevoerd. Kijk maar eens op
www.sovon.nl onder 'Monitoring' en vervolgens 'Broedvogels'.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.








Sorteer reacties












