Meeuwen zijn echte strandjutters. Ze jutten niet alleen aan de kust langs de vloedlijn, maar ook in het binnenland tussen de kribben van de grote rivieren. De meeste meeuwen zijn weinig reislustig, maar er zijn ook wereldreizigers.
Ook voor meeuwen geldt dat onbekend onbemind maakt. De vogels zijn weinig geliefd, omdat ze schreeuwen, uitbundig kakken en eten wat ze voor de bek komt. Ik houd wel van dat geboefte; dat komt ook, omdat ik eind jaren zestig voor mijn studie een stukje onderzoek naar de voedselecologie van zilvermeeuwen op Terschelling heb gedaan. Alle meeuwen zijn slim en brutaal. Als er voedsel ontdekt is, gunnen ze elkaar het licht in de ogen niet, maar toch zijn ze heel sociaal. Ze moeten wel: meeuwen zijn immers net zoals de meeste kraaiachtigen ‘samen sterk’. Zo slapen ze samen en ook het voedsel zoeken gebeurt vaak in groepsverband. Het zijn echte kolonievogels: in broedkolonies van de kokmeeuw bijvoorbeeld liggen de nesten nog geen meter uit elkaar.
Toen ik nog les aan een middelbare school gaf, heb ik veel plezier beleefd aan de kokmeeuwen die zich op het schoolplein ophielden. De vogels wisten precies wanneer het pauze was. Vijf minuten voordat de zoemer de pauze aankondigt, posteren de eerste meeuwen zich op de nok van het dak van de school. Van onderlinge agressiviteit is geen sprake. Als het moet, schikken ze zelfs even in, waardoor de rij niet alleen langer maar ook witter wordt. Zodra de pauze voorbij is en de jeugd weer naar binnen gaat, stort het geboefte zich op de geknoeide etenswaar. Weet er één een hele boterham te bemachtigen, dan is het zaak om weg te wezen. Meestal wordt zo’n ‘geluksvogel’ door een hongerige horde soortgenoten achtervolgd en wordt hem het leven voor korte tijd zuur gemaakt. In uiterste wanhoop laat de meeuw vaak de buit vallen. Slaat een ander zijn slag, dan herhaalt het tafereel zich, totdat de boterham in hapklare brokken is gescheurd. Ongelofelijk wat kunnen die brokken groot zijn. Ik ben ook wel eens op zaterdag rond de pauzetijd op school geweest: dan was er geen meeuw te bekennen. Ze wisten dat er geen les was!
Vorige week liep ik tussen de kribben bij de Waal bij Doornenburg. Aan de spoellijn lag een dode kokmeeuw. Twee zwarte kraaien deden zich om de beurt te goed aan het meeuwenvlees. Op een baken zat eerst een aalscholver, maar die moest zijn plaats afstaan aan een grote mantelmeeuw. Vanaf de uitkijkpost heeft de mantel het voedseltafereel gadegeslagen voordat hij het tijd vond om aan tafel te gaan. Nu zijn zwarte kraaien heel wat mans, maar voor de grote mantel hebben ze diep respect. Dat mag ook wel, want deze meeuw met een spanwijdte van zo’n anderhalve meter heeft een bek, groot genoeg om prooien naar binnen te werken van het formaat van een jong duinkonijn. Ook zo’n konijntje lusten ze rauw.
Er broeden in ons land tegenwoordig acht soorten meeuwen. Vroeger zagen we in de zomer alleen kokmeeuwen en zilvermeeuwen. In de twintigste eeuw zijn daar achtereenvolgens bijgekomen: stormmeeuw, kleine mantelmeeuw, zwartkopmeeuw, dwergmeeuw, geelpootmeeuw en grote mantelmeeuw. Of de Noord-Amerikaanse ringsnavelmeeuw zich daarbij zal voegen, waag ik te betwijfelen.
De vogel op de foto overwintert nu voor het vierde jaar op rij in de haven van Tiel. De eerste waarneming van deze soort, in de Europoort bij Rotterdam, dateert van 8 juli 1986. Op 14 april 1997 zou er een in Bemmel zijn gespot. Goes kreeg in 1998 een ringsnavel op bezoek. De meeuw liet zich daar zes jaar lang op rij zien; steeds vanaf begin augustus tot in maart. Aan de westkust van Brittannië is de Amerikaan in de winter geen onbekende meer, maar aan de oostkust is het nog een grote zeldzaamheid.
De vraag is waar de ringsnavelmeeuwen van Goes en Tiel in de zomer verblijven. Het zou geweldig zijn, als ze helemaal terug gaan naar hun broedgebied in het oosten van Noord-Amerika, maar dit ligt niet voor de hand. De moderne technieken bieden steeds meer mogelijkheden om de bewegingen van vogels in kaart te brengen. Afgelopen voorjaar zijn er op Vlieland 9 zilvermeeuwen en 14 kleine mantelmeeuwen gezenderd. De zenders, twee verschillende typen van 22 en 30 gram, zijn uitgerust met een GPS-ontvanger, waarmee de locatie van de zender tot op enkele meters nauwkeurig kan worden vastgelegd. De energie wordt geleverd door zonnecellen, die bovenop de zender zijn geplakt.
Meeuwen van dit formaat gaan nauwelijks gebukt onder een dergelijke last. Het gaat de vogels goed. De informatie stroomt binnen en die is bepaald verrassend. De zilvermeeuwen zijn, zoals al verwacht, weinig reislustig, maar de kleine mantelmeeuwen maken tochten boven de Noordzee tot wel 90 km vanaf de broedkolonie. M.AFK vloog zelfs een aantal keren van de broedplaats naar de oostkust van Engeland. M.AFD zat tijdens de trek naar het zuiden op 17 augustus al in het zuiden van Portugal.
Ik zou graag willen weten waar de Tielse ringsnavelmeeuw tussen maart en september verblijft. Misschien is er wel een sponsor te vinden, die voor een paar duizend euro niet alleen deze ringsnavelmeeuw, maar ook zijn naam op de kaart wil zetten. Ik hoor het graag!
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.
















