De aantallen regenwormen nemen af, omdat we kunstmest strooien in plaats van organische mest en we stenentuinen aanleggen. Mollen, spitsmuizen, veel zangvogels, maar ook steenuilen en torenvalken kunnen niet zonder regenwormen.
Als bij hoogwater het rivierwater over de zomerdijk begint te stromen, dan wil ik er bij zijn, want de natuur wordt daar dan tijdelijk op zijn kop gezet. Mollen en muizen zoeken in allerijl hoger gelegen delen op. Daardoor wordt op die plaatsen de dichtheid aan deze prooidieren groter en dat weten de blauwe reigers en de torenvalken bijvoorbeeld maar al te goed. Zo zag ik afgelopen maandag in de uiterwaarden bij Randwijk op de grens van droog en nat maar liefst vijf blauwe reigers, één zilverreiger en de Randwijkse ooievaar, die hier niet alleen broedt, maar ook overwintert, muis na muis vangen. En zij waren niet de enige die profiteerden van het wassende water.
Vooral het gedrag van de kokmeeuwen is bijzonder. De meeuwen azen op het ondergelopen land op regenwormen. Regenwormen kunnen heel wat beter tegen droogte dan tegen deze nattigheid. Als de bodem uitdroogt, graven wormen hun gangen dieper. Als het land onder water staat, dreigt er zuurstoftekort. Na verloop van tijd komen de wormen naar boven en dat ontgaat de slimme meeuwen niet.
Als echte oogjagers zwemmen ze, met een lange nek steeds maar in het water turend, rond. Ze houden onderling afstand, omdat de rimpeling veroorzaakt door een azende meeuw het zicht in het water voor de soortgenoten belemmert. In ondiep water is het al zwemmende op de kop gaan staan voldoende om een worm te bemachtigen. In dieper water vliegen de meeuwen eerst een metertje op. Bij de duik die daarop volgt, gaan ze maar net kopje onder. Dat betekent dat de naar zuurstof snakkende regenwormen niet van de bodem worden gepakt.
De pieren waren onderweg naar het wateroppervlak. Ik heb een poosje daar bij Randwijk vanuit de auto het voedselgedrag gevolgd: gemiddeld worden er drie wormen per minuut gepakt. De kleine wormen gaan in één keer naar binnen. De lange dauwpieren spartelen behoorlijk tegen. Het verorberen van zo’n grote worm kost tijd en dat ontgaat de andere jagers niet. Twee, drie andere meeuwen proberen de ‘geluksvogel’ de prooi dan afhandig te maken; een kostelijk gezicht.
Op de hoger gelegen delen ontbreekt het evenmin aan regenwormen. Het is hier voor de talrijke mollen wat voedsel betreft een aards paradijs. Overal worden molshopen opgewor-pen. De aardbevinkjes door de mol veroor-zaakt, worden door de gevoe-lige huid van de worm geregistreerd waarna hij voor zijn aarts-vijand dan ijlings een goed heenkomen zoekt.
De slimme meeuwen kennen de relatie mol-regenworm. Let maar eens op als je ergens in de wei een meeuw in de buurt van verse mols-hopen ziet staan. Tien tegen één dat er door de mol grond wordt verzet. De vluchtende regenwormen zijn voor de azende meeuw een gemakkelijke prooi. Ook onze winterbuizerd profiteert van de wroetende mol: regelmatig zie ik hem op een verse molshoop staan. Meeuwen en kieviten zijn zelfs zo slim dat ze het kunstje van de mol hebben afgekeken. Door op de grond te stampen, het zogenaamde wormtrappen, weten zij de pieren uit hun schuil-plaats te lokken.
Grond zonder regenwormen is slechte grond. Aan de hand van het aantal door wormen geproduceerde hoopjes -die kronkelige hoopjes aarde die uit een tube lijken te zijn geknepen- heeft men berekend dat in een hecta-re goed weiland de regenwormen jaarlijks meer dan vijftig ton aarde verzetten. De wormen eten de aarde waarin ze leven en verteren de daarin reeds door andere dieren bewerkte orga-nische resten. Afgevallen blad en andere halfvergane plantendelen worden door de wormen in hun gangen getrokken.
Door deze werkwijze zorgen de regenwormen voor humusvorming. Maar dat is niet het enige voordeel dat zij ons bieden. Met hun gangen draineren ze de bodem, zodat bij zware regenval het water snel wordt afgevoerd. De grond blijft daardoor luchtig, zodat zuurstof er diep in kan doordringen. Dit is niet alleen voor de planten en wormen zelf van belang, maar ook voor het mineralisatieproces. Zonder zuurstof kunnen de meeste bacteriën in de bodem geen organische stof omzetten in mineralen, die de planten weer als voedsel gebruiken.
Vroeger, toen er nog organische mest werd uitgereden, was de dichtheid aan regenwormen enorm. Ik strooide toen ook de mest van de paarden en de schapen, als ze op stal stonden, uit over de wei. De laatste jaren heb ik de mest afgevoerd en dat heeft een nadelig effect gehad op de dichtheid aan regenwormen.
Omdat ik weet dat torenvalken en steenuilen, onze geliefde broedvogels op ons terrein, gek zijn op regenwormen, strooien we praktisch geen kunstmest meer, maar rijden we de organische mest weer uit. Dat zal zeker in jaren waarin er weinig muizen zijn, het broedsucces van deze vogels vergroten. Onderhand scharrelen er op ons erf een dertigtal kipjes rond. Ze zoeken het hele terrein af. Gelukkig kunnen ze nog niet wormtrappen zoals de kievit en de meeuwen, maar grond verzetten kunnen ze wel en dat levert heel veel pieren op. Een aantal kippen zal de pan in moeten, de rest op gezette tijden achter gaas.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties












