In perfecte V-vormen vliegen ze vanuit Scandinavië en Siberië naar het zuiden: duizenden ganzen trekken in het winterseizoen weg van de vrieskou.
"Ze strijken neer ter hoogte van de vorstgrens", weet Cuijkenaar Maarten Hermens, lid van de vogelwerkgroep van IVN De Groene Overlaat. "Verschuift deze naar het zuiden, dan zakken de ganzen ook verder af."
Ganzen zijn echte marathonvliegers. Ze trekken in één vlucht, zonder 's nachts neer te strijken, van het noorden naar hun overwinteringsplaats.
Ze kunnen vele uren zonder onderbreking vliegen door het benutten van energie uit vetverbranding.
De snelheid waarmee ze vliegen ligt op ongeveer 80 kilometer per uur.
Door de zachte winters in Nederland - met de temperatuur veelal rond het vriespunt - strijken ook veel ganzen in deze regio neer.
Vooral de Kraaijenbergse Plassen, nabij Linden en ten zuiden van de Maas, zijn een ideale overwinteringsplaats voor de ganzenkolonies. "'s Nachts verblijven de ganzen op open water om zichzelf te beschermen tegen roofdieren zoals vossen. Overdag vliegen ze op en neer tussen de plassen, de uiterwaarden van de Maas en de Ooijpolder bij Nijmegen", legt Hermens uit.
De grote vogels vertoeven vaak met duizenden tegelijk op de plas. "Dan kijkt het echt zwart van de vogels." Vooral plas 5, de meest westelijk gelegen plas nabij Gassel, is geliefd bij de trekvogels. Deze plas heeft het predikaat 'natuurplas' en is door een dam van de andere plassen gescheiden. "Dit is de meest rustige plas. Bovendien grenst deze plas aan weilanden en dat is voor de gans, die voornamelijk gras eet, natuurlijk ideaal."
Naast plas 5 vertoeven de ganzen overdag ook regelmatig in de buurt van de Heeswijkse Kampen.
Op de Kraaijenbergse Plassen zijn meerdere soorten ganzen te zien. De meest voorkomende zijn de kolgans, de rietgans, de brandgans en de grauwe gans.
"En de laatste jaren zien we hier ook steeds vaker de nijlgans en de Canadese gans, die het hele jaar in Nederland verblijven", weet Hermens.
Vanaf eind januari aanvaarden de ganzen hun terugreis naar het noordelijke broedgebied. "Wanneer ze precies wegtrekken is afhankelijk van het weer en dan met name de optrekkende vorstgrens", verklaart Hermens. "Ganzen voelen dit precies aan door de richting van de straalstroom die zich op zo'n tien kilometer hoogte bevindt."
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.
















