Het aantal overwinterende ganzen in Nederland vertoont nog altijd een stijgende lijn. De dieren zorgen voor toenemende overlast op akkers en weilanden, met veel klachten van boeren tot gevolg.
Of er nu met 1,5 miljoen overwinteraars te veel ganzen zijn? Die
constatering is veel te voorbarig, vinden wetenschappers.
Henk van
der Jeugd uit Groningen, onderzoeker bij onder meer instituut Sovon, volgt
de brandganzen op hun trek van Rusland naar West-Europa. Zijn collega bij
Alterra, Bart Ebbinge uit Wijk bij Duurstede, doet hetzelfde met rot- en
kolganzen. Ze zijn eensgezind in hun visie. Ebbinge: "De bewering dat
de gans nu ineens een plaag wordt, terwijl de overheid kortgeleden de jacht
heeft beperkt om de ganzen beter te beschermen, vind ik merkwaardig. Als je
vindt dat de landbouwschade te groot is, stel dan eerst normen."
Van der Jeugd: "Je zult moeten vaststellen hoeveel ganzen je hier wilt
hebben en wat de consequenties van afschot voor een populatie zijn, voor je
kunt zeggen dat er te veel zijn." Beide biologen kunnen bogen op
jarenlange ervaring in het ganzenonderzoek. Van der Jeugd, naast zijn
Sovon-werk ook coördinator van het vogeltrekstation in Heteren, doet dat 's
zomers in het broedgebied aan de baai van Kolokolkova in het noorden van
Rusland. Doel is zicht te krijgen op de verschillende populaties en de
onderlinge uitwisseling van de brandgans. Vijftig jaar geleden hield het met
vijftigduizend op. Het tij keerde toen de jacht werd stopgezet en de
voedselsituatie in de overwinteringsgebieden sterk verbeterde. De populatie
vertienvoudigde, tot een half miljoen. Maximaal brengen 400.000 ganzen de
winters in Nederland door. De rest zit vooral in Duitsland.
Ondertussen heeft de brandgans zijn broedgebied uitgebreid, tot in het
Oostzeegebied en zelfs in Nederland. Boeren klagen steeds meer dat de ganzen
langer in ons land blijven. Ze hebben gelijk. De laatste tien jaar doet zich
een verandering voor in de verspreiding, vertelt Van der Jeugd.
De
brandganzen vertrekken tegenwoordig pas half mei uit het Waddengebied.
Eerder hielden ze het hier eind maart, begin april al voor gezien. Dan
trokken ze eerst naar de Oostzee om half mei verder in noordelijke richting
te vliegen, naar de broedgebieden. Uit ring- en satellietonderzoek blijkt
dat de ganzen die deze nieuwe strategie volgen naar de Barentszee trekken om
daar te broeden. De afstand tot deze nieuwe broedgebieden is korter, zodat
een tussenstation om bij te tanken niet meer nodig is. De boeren in ons
land, die de ganzen te gast hebben, kunnen kiezen voor een gedoogregeling.
Tegen een vergoeding accepteren ze dat de vogels hun land kaal vreten.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties












