Ruiende kauw. foto Otto Faulhaber ;Omdat deze huismusman zijn keelveren opzet, is het zwart even zichtbaar. Als de lichte toppen van de dekveren zijn afgesleten, valt het slabbetje pas echt op. foto Wilbert Koch
Ruiende kauw. foto Otto Faulhaber ;Omdat deze huismusman zijn keelveren opzet, is het zwart even zichtbaar. Als de lichte toppen van de dekveren zijn afgesleten, valt het slabbetje pas echt op. foto Wilbert Koch
Onze kippen beginnen weer een beetje op te knappen: twee weken geleden zagen ze er niet uit! Overal in de tuin en in de wei liggen veren. Als volwassen vogels veren laten, doen ze dat om afgesleten veren te vervangen of om een speciaal prachtkleed te verkrijgen dat een belangrijke rol moet spelen in de hofmakerij.
Tijdens de rui is de sterfte onder veel vogelsoorten groot. Het ruiproces
vreet energie. Vogels verwisselen hun veren als de energiehuishouding het
gunstigst is. Dus niet tijdens het broedseizoen, dan moet er gewerkt worden
en zeker niet in de winterperiode als er vaak voedselschaarste is.
We moeten naar de functies van de veren kijken om te begrijpen hoe en
wanneer er geruid wordt. Veren maken vliegen mogelijk en beschermen tegen
warmte en kou. Ze beginnen te groeien als de vogel zich nog in het ei
bevindt. In veervelden vormen zich veerpapillen, die rijk aan bloedvaten
zijn. De papil groeit naar buiten als de veer zich ontwikkelt. De hoornlaag
vormt aan de buitenkant een beschermende schede, die langer wordt naarmate
de veer in de papilkegel groeit. Na verloop van tijd breekt de veer door de
hoornschede. Vogelnesten zien in de periode van het doorbreken van de veren
wit van de hoornschilfers. Dekveren, slagpennen en staartpennen, de
zogenaamde contourveren, bestaan aan de basis uit de spoel die overgaat in
de schacht. Aan beide kanten van de schacht wijzen vertakkingen, zogenaamde
baarden, naar buiten; zij vormen de vlag van de veer. Op de baarden staan
baardjes, deze vallen met haakjes in elkaar.
Onder een
vergrootglas lijkt elke baard een miniatuurveertje. Om het verenpak in goede
staat te houden, moeten vogels elke dag veel tijd besteden aan het toilet
maken. De veren worden dan een voor een door de snavel gehaald, waardoor
verfrommelde baarden weer worden glad gestreken. Donsveren zijn eenvoudiger
van bouw dan de contourveren. Ze hebben geen schacht; de baarden komen
rechtstreeks uit de spoel. Omdat ook de haakjes ontbreken, vlechten de losse
baardjes zich niet alleen in de baardjes van de eigen donsveer, maar ook in
die van de aanliggende veertjes. Daardoor ontstaat er een gesloten, met
lucht gevuld, isolatiedek. Normaal gesproken liggen de donsjes onder de
dekveren. Kuikens van eenden, kippen en kieviten hebben in hun prille jeugd
alleen donsveren. Pas later krijgen zij contourveren. Het eerste echte
verenkleed bij jonge vogels is weinig opvallend van kleur. Omdat de jongen
nog relatief zwak en onervaren zijn, dragen zij een camouflagepak, dat vaak
gelijkenis vertoont met het verenpak van de moedervogel. De geslachtsrijpe
mannen hebben opvallende kleuren om mee te pronken. Verschillende soorten
zoals futen, reigers en kemphanen dragen zelfs tijdelijk kuiven, pluimen of
kammen om extra indruk te kunnen maken.
De meeste vogels ruien in
de nazomer, tussen broedtijd en trektijd. Bij veel soorten is er slechts
sprake van een gedeeltelijke rui. Pas in het voorjaar worden de resterende
veren vervangen en is er sprake van een zomerkleed. Als er geen rui
plaatsvindt, kunnen er toch duidelijke kleurverschillen tussen man en vrouw
ontstaan, omdat veeranden afslijten en onderliggende kleuren dan boven
komen. We zien dat duidelijk op de grote foto met de jonge huismusman. De
donkere keelvlek is in werkelijkheid de hele winter aanwezig, maar wordt pas
zichtbaar tegen de voortplantingstijd, omdat de lichte toppen van de veren
dan zijn afgesleten. De spreeuwen zijn op dit moment op hun mooist. De
uiteinden van de dekveren zijn wit, zodat onze spreeuw in herfst en winter
er ook nog eens fraai gespikkeld uitziet. Dat de veren behoorlijk slijten,
zien we in de zomer al. De witte puntjes zijn dan verdwenen. In
tegenstelling tot andere vogels, die hun jongen juist in een prachtkleed
grootbrengen, is het moois er bij spreeuwen dan al af.
Als er te
veel veren gelijktijdig vallen, heeft dat grote consequenties voor het
vliegvermogen. Daarom laten veel vogelsoorten de slagpennen vaak in paren;
steeds links en rechts de overeenkomstige veer. Ganzen en eenden stoten
direct na de broedtijd al hun slagpennen tegelijkertijd af. Ze kunnen dan
niet vliegen, waardoor ze een gemakkelijke prooi voor vossen en andere
vijanden kunnen worden. Daarom verzamelen ze zich voordat de rui aanvangt,
in grote groepen op open water of ze verschuilen zich in rietmoerassen.
Roofvogels en uilen zijn voor hun voedselvoorziening het hele jaar door
afhankelijk van hun vliegsnelheid. Daarom spreiden zij de rui van hun
slagpennen over een lange periode. Alleen tijdens de trek stopt het ruien
even!
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.



















