Gerrit Jansen: Vogels bouwen instinctief hun nest

  dinsdag 01 december 2009 | 06:48 | Laatst bijgewerkt op: vrijdag 04 december 2009 | 15:23

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
Nest buidelmees foto D. Schippers ;De eieren van de kleine plevier liggen open en bloot, zonder stoffering, in een door het mannetje gedraaid nestkuiltje. Over schutkleur gesproken! foto Gerrit Jansen

Nest buidelmees foto D. Schippers ;De eieren van de kleine plevier liggen open en bloot, zonder stoffering, in een door het mannetje gedraaid nestkuiltje. Over schutkleur gesproken! foto Gerrit Jansen

Nest buidelmees foto D. Schippers ;De eieren van de kleine plevier liggen open en bloot, zonder stoffering, in een door het mannetje gedraaid nestkuiltje. Over schutkleur gesproken! foto Gerrit Jansen

Nest buidelmees foto D. Schippers ;De eieren van de kleine plevier liggen open en bloot, zonder stoffering, in een door het mannetje gedraaid nestkuiltje. Over schutkleur gesproken! foto Gerrit Jansen

1/2
start playing the slideshow

Nu het laatste dorre blad door de stormachtige wind van de laatste dagen van de bomen is geblazen, is goed te zien hoeveel vogels er in onze hagen hebben gebroed. We hebben op het erf 15 jaar geleden ruim tweehonderd meter dubbele haag geplant van meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn en hondsroos. Daartussen hebben zich spontaan heggenrank, bitterzoet en vooral veel, eigenlijk te veel, vlier gevestigd.

Omdat de struiken onderaan kaal werden, hebben we onder deskundige leiding de hagen neergelegd. Voor meer dan 90 procent werden de polsdikke stammen ingezaagd en ingehakt. Daarna werden de drie meter hoge opstanden voorzichtig gebogen, neergelegd en ingevlochten. Hierdoor zijn ondoordringbare, ruim een meter hoge hagen ontstaan met heel veel verticaal opschot. Van het begin af aan hebben we her en der een sleedoorn gespaard en die struiken zijn nu bomen van ruim zes meter hoog.

In de nu kale heggen heb ik 21 nesten kunnen ontdekken en in de doorgeschoten sleedoorns een eksternest en twee nesten van de houtduif. De elf merelnesten en de twee nesten van de zanglijster waren gemakkelijk te determineren. Ze zijn te herkennen aan de grootte en de diepte van de nestkom en beide lijsters bekleden de binnenkant met natte aarde. Bij de zanglijster bestaat het stucwerk enkel uit klei; de merel verwerkt in de aarde ook fijn gras en paardenhaar. De drie nestjes van de heggenmus staan ook vast: de napvormige nesten zijn bekleed met dunne wortels, haar, stukjes schapenwol en kleine veertjes. De naam van de bouwers van de overige vijf nesten weet ik niet zeker. Waarschijnlijk is de kleinste, met binnenmaats een diameter van slechts vijf centimeter, van de braamsluiper. Ik ken de plek waar het vogeltje de afgelopen zomer met insecten in de snavel in de heg verdween. De binnenzijde is gevoerd met minuscule wortels en paardenhaar. Het feit dat het nestje in een vork van een hondsroos ligt, wijst ook op de braamsluiper; die heeft nu eenmaal voorkeur voor dicht doornstruweel. Het nestje is luchtig en haast doorzichtig. Dat geldt voor nog een nestje, maar dat is groter. Waarschijnlijk was dit van een zwartkop. In de laatste drie nestjes is veel mos, een beetje korstmos en schapenwol verwerkt. Ik weet dat de groenling en de vink in de hagen hebben gebroed. Als er weinig korstmos is, lijken die nesten veel op elkaar.

Het gemeenschappelijke van deze 'boomnesten' is dat de bouwers ware meesters zijn en instinctief weten welk materiaal ze moeten gebruiken. Maar er zijn nog grotere bouwmeesters. Vorige week kwam er iemand een nest van een staartmees brengen. Ik heb er nu al drie. Het nest kwam tijdens snoeiwerk uit een spar te voorschijn. De mensen hadden er de hele zomer geen weet van dat er zich zo'n fantastisch bouwwerk op nog geen twee meter van hun huis bevond. Het zakvormige nest bestaat voor een belangrijk deel uit mos en is doorweven met insectenspinsel, paardenhaar, streepjes bast, plantenpluis en wol. De buitenzijde wordt afgewerkt met korstmos en lijkt daardoor sprekend op de bast van de boom. Aan een zijkant, bovenin, bevindt zich een vliegopening met een doorsnede van zo'n drie centimeter. Staartmezen bouwen minstens drie weken aan het kunstwerk. Ook de buidelmees is wat nestbouw betreft een ware kunstenaar. De gevlochten nestdelen worden uitgebouwd tot er alleen een kleine opening overblijft. De binnenkant wordt bekleed met zaadpluis en schapenwol. Voor de opening wordt een toegangsslurf gemaakt. Dat de buidelmees zijn naam aan het buidelvormige nest ontleent, zal geen verbazing wekken. Het tweede deel van de soortnaam: Remiz pendulinus heeft met de slinger van een uurwerk te maken. Ik heb in een wilg boven de Rijkerswoerdse plassen bij Arnhem zo'n meesterwerkje bij slechts een beetje wind al heen en weer zien slingeren. Maar goed dat het nest aan een vrij hangende tak hangt, anders zou het stevig botsen. Dat staartmees en buidelmees geen echte mezen zijn, had u al begrepen. Koolmees en pimpelmees zijn holenbroeders. Zij bouwen warme nesten in natuurlijke holten en in nestkasten. Daar is heel wat minder architectuur voor nodig, maar het kan nog eenvoudiger. Grondnesten stellen weinig voor. Meestal houdt het al op bij een kuiltje, zoals bij de kleine plevier op bovenstaande foto waarvan ik dit jaar toevallig het nest op een rivierduin in de Klompenwaard vond. Sommige vogelsoorten stofferen zo'n kuiltje met wat plantenmateriaal. Enkele sternsoorten bekleden de nestkom met schelpen. Dan broeden ze op een schelpenbank, want een grondnest moet gecamoufleerd zijn.

© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.

Reageren

blij blozend boos cool verrast droevig egaal gemeen huilend vertwijfeld knipoog lachen rollendeogen tongeruit wijdogig

Reacties van bezoekers op artikelen op deze site zijn meer dan welkom.

Echter: reacties die kwetsend, onnodig grof of beledigend zijn worden niet

geplaatst.

Klik voor de uitgebreide versie van de spelregels