Nest buidelmees foto D. Schippers ;De eieren van de kleine plevier liggen open en bloot, zonder stoffering, in een door het mannetje gedraaid nestkuiltje. Over schutkleur gesproken! foto Gerrit Jansen
Nest buidelmees foto D. Schippers ;De eieren van de kleine plevier liggen open en bloot, zonder stoffering, in een door het mannetje gedraaid nestkuiltje. Over schutkleur gesproken! foto Gerrit Jansen
Nu het laatste dorre blad door de stormachtige wind van de laatste dagen van de bomen is geblazen, is goed te zien hoeveel vogels er in onze hagen hebben gebroed. We hebben op het erf 15 jaar geleden ruim tweehonderd meter dubbele haag geplant van meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn en hondsroos. Daartussen hebben zich spontaan heggenrank, bitterzoet en vooral veel, eigenlijk te veel, vlier gevestigd.
Omdat de struiken onderaan kaal werden, hebben we onder deskundige leiding
de hagen neergelegd. Voor meer dan 90 procent werden de polsdikke stammen
ingezaagd en ingehakt. Daarna werden de drie meter hoge opstanden
voorzichtig gebogen, neergelegd en ingevlochten. Hierdoor zijn
ondoordringbare, ruim een meter hoge hagen ontstaan met heel veel verticaal
opschot. Van het begin af aan hebben we her en der een sleedoorn gespaard en
die struiken zijn nu bomen van ruim zes meter hoog.
In de nu kale
heggen heb ik 21 nesten kunnen ontdekken en in de doorgeschoten sleedoorns
een eksternest en twee nesten van de houtduif. De elf merelnesten en de twee
nesten van de zanglijster waren gemakkelijk te determineren. Ze zijn te
herkennen aan de grootte en de diepte van de nestkom en beide lijsters
bekleden de binnenkant met natte aarde. Bij de zanglijster bestaat het
stucwerk enkel uit klei; de merel verwerkt in de aarde ook fijn gras en
paardenhaar. De drie nestjes van de heggenmus staan ook vast: de napvormige
nesten zijn bekleed met dunne wortels, haar, stukjes schapenwol en kleine
veertjes. De naam van de bouwers van de overige vijf nesten weet ik niet
zeker. Waarschijnlijk is de kleinste, met binnenmaats een diameter van
slechts vijf centimeter, van de braamsluiper. Ik ken de plek waar het
vogeltje de afgelopen zomer met insecten in de snavel in de heg verdween. De
binnenzijde is gevoerd met minuscule wortels en paardenhaar. Het feit dat
het nestje in een vork van een hondsroos ligt, wijst ook op de braamsluiper;
die heeft nu eenmaal voorkeur voor dicht doornstruweel. Het nestje is
luchtig en haast doorzichtig. Dat geldt voor nog een nestje, maar dat is
groter. Waarschijnlijk was dit van een zwartkop. In de laatste drie nestjes
is veel mos, een beetje korstmos en schapenwol verwerkt. Ik weet dat de
groenling en de vink in de hagen hebben gebroed. Als er weinig korstmos is,
lijken die nesten veel op elkaar.
Het gemeenschappelijke van deze
'boomnesten' is dat de bouwers ware meesters zijn en instinctief weten welk
materiaal ze moeten gebruiken. Maar er zijn nog grotere bouwmeesters. Vorige
week kwam er iemand een nest van een staartmees brengen. Ik heb er nu al
drie. Het nest kwam tijdens snoeiwerk uit een spar te voorschijn. De mensen
hadden er de hele zomer geen weet van dat er zich zo'n fantastisch bouwwerk
op nog geen twee meter van hun huis bevond. Het zakvormige nest bestaat voor
een belangrijk deel uit mos en is doorweven met insectenspinsel,
paardenhaar, streepjes bast, plantenpluis en wol. De buitenzijde wordt
afgewerkt met korstmos en lijkt daardoor sprekend op de bast van de boom.
Aan een zijkant, bovenin, bevindt zich een vliegopening met een doorsnede
van zo'n drie centimeter. Staartmezen bouwen minstens drie weken aan het
kunstwerk. Ook de buidelmees is wat nestbouw betreft een ware kunstenaar. De
gevlochten nestdelen worden uitgebouwd tot er alleen een kleine opening
overblijft. De binnenkant wordt bekleed met zaadpluis en schapenwol. Voor de
opening wordt een toegangsslurf gemaakt. Dat de buidelmees zijn naam aan het
buidelvormige nest ontleent, zal geen verbazing wekken. Het tweede deel van
de soortnaam: Remiz pendulinus heeft met de slinger van een uurwerk te
maken. Ik heb in een wilg boven de Rijkerswoerdse plassen bij Arnhem zo'n
meesterwerkje bij slechts een beetje wind al heen en weer zien slingeren.
Maar goed dat het nest aan een vrij hangende tak hangt, anders zou het
stevig botsen. Dat staartmees en buidelmees geen echte mezen zijn, had u al
begrepen. Koolmees en pimpelmees zijn holenbroeders. Zij bouwen warme nesten
in natuurlijke holten en in nestkasten. Daar is heel wat minder architectuur
voor nodig, maar het kan nog eenvoudiger. Grondnesten stellen weinig voor.
Meestal houdt het al op bij een kuiltje, zoals bij de kleine plevier op
bovenstaande foto waarvan ik dit jaar toevallig het nest op een rivierduin
in de Klompenwaard vond. Sommige vogelsoorten stofferen zo'n kuiltje met wat
plantenmateriaal. Enkele sternsoorten bekleden de nestkom met schelpen. Dan
broeden ze op een schelpenbank, want een grondnest moet gecamoufleerd zijn.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.



















