Putter op kaardenbol. ;Door hoge temperaturen en extreme nattigheid zijn veel zaden van de grote kaardenbol in 'de wieg' gaan kiemen. foto Gerrit Jansen
Putter op kaardenbol. ;Door hoge temperaturen en extreme nattigheid zijn veel zaden van de grote kaardenbol in 'de wieg' gaan kiemen. foto Gerrit Jansen
Normaal hebben we het hele jaar door putters in onze tuin; ze broeden er zelfs. Twee keer heb ik een nestje kunnen lokaliseren, omdat het mannetje het broedende vrouwtje voedsel kwam brengen. Maar de laatste tijd zie ik ze minder. Jarenlang zat de populatie in de lift, maar sinds 2008 heeft de soort met een dip te maken.
Zo'n inzinking heeft de putter al eerder gehad, maar die kwam hij vrij snel
weer te boven, omdat de voortplantingscapaciteit niet gering is. Putters
hebben twee legsels: het eerste in mei het tweede in juli. Onder gunstige
omstandigheden kunnen er wel 10 jongen uitvliegen. Vooral na het tweede
legsel blijft de familie nog lang bij elkaar. Elk jaar, ook als er op ons
erf niet is gebroed, zie ik in herfst en winter zwervende familiegroepjes.
De vogels doen zich eerst te goed aan de uitgebloeide distels – putters
worden niet voor niets distelvinken genoemd – en later moeten de
kaardenbollen eraan geloven. De distelvink is de enige vink die vanwege de
relatief lange, dunne snavel bij de diep liggende zaden kan komen. Uiterst
behendig halen de vogels de pitjes uit hun hokjes, terwijl ze zich in de
wind heen en weer laten schommelen op de hoge dorre kaardenbolstengels. Met
kaardenbollen kun je putters bij huis halen. Ik raad iedereen die een wild
zonnig hoekje in de tuin heeft de grote kaardenbol aan. En niet eens alleen
voor de putters. De plant heeft een massa kleine bloempjes die in grote
eironde bloemhoofdjes staan. Ze produceren enorm veel nectar. Bijen,
zweefvliegen en vlinders zijn dan ook bij een bloeiende kaardenbol niet weg
te slaan. De middelste bladparen vormen samen om de stengel een waterbekken,
dat na regen lang gevuld blijft. Insecten drinken en verdrinken vaak in die
waterbassins. Bladluizen die boven zo'n waterreservoir de sapstroom hebben
aangeboord, kunnen door mieren niet bereikt worden om 'gemolken' te worden.
Dat is vaak een grappig gezicht: onder het waterbekken verdringen de mieren
zich, maar de zoete melkkoetjes blijven buiten bereik.
De wilde
kaardenbol kan wel twee meter hoog worden. Vaak bloeit hij pas in het tweede
of derde jaar. De eerste jaren zijn nodig om een wortelrozet van wel zo'n 30
centimeter doorsnede te vormen. De bloei begint in het midden van het
bloemhoofdje. Na vruchtzetting sterft de plant af. De stengels met de bruine
stekelige bloemhoofdjes kunnen de hele winter blijven staan. Grote
kaardenbollen houden van een voedselrijke bodem met veel kalk en humus. Het
is een plant van zonnige plaatsen. Op dijktaluds en andere hellingen,
bijvoorbeeld langs spoorbanen, floreert hij optimaal. Onze tuin staat vol
met kaardenbollen: de uitgebloeide bloemhoofdjes zijn nu niet dor en bruin,
maar groen. Sterker nog: ze worden met de dag groener. Door de nattigheid en
de hoge temperaturen is een groot aantal zaden in de hokjes gaan kiemen. In
de voortuin staan de uitgebloeide kaardenbollen open en bloot. Ze worden
door de regen nat, maar drogen door de wind ook snel weer op, waardoor de
kiemomstandigheden niet optimaal zijn. Op een andere plek, in de luwte van
de patiomuur, dragen alle bloemhoofdjes kiemplantjes, maar niet rondom. De
kiemplanten staan alleen op het zuidoosten. Kennelijk zijn hier de
kiemvoorwaarden optimaal: relatief warm en blijvend vochtig.
Planten met zaden die niet op kieming kunnen wachten, noemt men vivipaar, of
levendbarend. De zaden kiemen zonder kiemrust op de moederplant. In het
algemeen is de moederplant niet gebaat bij deze vorm van viviparie. De
kiemplanten moeten namelijk op tijd op de grond vallen om verder te kunnen
groeien. Er zijn ook levendbarende planten die broedbolletjes vormen. Bij
deze vorm van viviparie hebben we niet met geslachtelijke (uit zaad) maar
met ongeslachtelijke voortplanting te maken. Uit de bolletjes vormen zich op
de moederplant jonge planten. Als deze kleine plantjes na verloop van tijd
op de grond vallen, groeien ze gewoon verder. We zien dit verschijnsel bij
een aantal alpine planten zoals levendbarend duizendknoop, maar ook inheemse
alliumsoorten. Van de kiemplantjes op de kaardenbollen zal weinig terecht
komen. Als het kiemworteltje van het jonge plantje zich vertakt, groeit het
zich vast, waardoor het niet op de grond zal vallen. Uitgebloeide
kaardenbollen blijven de hele winter fier overeind staan. Tijdens een droge
perioden zullen alle kiemplantjes in het bloemhoofd verwelken. Gelukkig
staat onze tuin nog vol met bladrozetten: grote en kleine die het volgend
voorjaar of het jaar daarop doorschieten en bloem zullen geven. De
kaardenbol zullen we niet gauw kwijtraken en de putters hopelijk al evenmin.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.



















