‘Atlantische steur kansloos in Rijn’

Auteur: door Chris van Alem |   dinsdag 22 mei 2007 | 08:43 | Laatst bijgewerkt op: donderdag 24 mei 2007 | 11:30

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
Onderzoeker Erwin de Winter met een in de Rijn gevangen houting. foto Joep de Leeuw

Onderzoeker Erwin de Winter met een in de Rijn gevangen houting. foto Joep de Leeuw

De houting is terug in de Rijn. In Duitsland wordt de terugkeer van de elft in de rivier voorbereid. Ook de fint wordt weer gesignaleerd. Net als een groeiend aantal exoten dat niet in de Rijn thuishoort.

Van de vijf vissoorten die de vorige eeuw nog in de Rijn en andere Nederlandse rivieren zwommen, zijn er vier weer terug: houting, fint, elft en zalm. De vijfde is kansloos, denkt visbioloog Erwin deWinter van het totWageningen Universiteit behorende onderzoeksinstituut Imares in IJmuiden. „ De Atlantische steur, dat gaat niet lukken. Die soort is het meest kwetsbaar voor de menselijke invloed. In de Gironde in Frankrijk doen ze het slecht.”

Duitsland werkt momenteel aan de terugkeer van de elft in de Rijn. Dit jaar nog worden de eerste jonge elften in de rivier uitgezet. De Nederrijn is voor de elft louter een doorgangsroute naar de stroomopwaarts gelegen paaigronden. De fint doet het helemaal in zijn eentje, zonder hulp van wetenschappers. Volgens DeWinter heeft de fint goede kansen als het Haringvliet straks zowel zoet als zout water bevat. In dat water gedijt de fint, die af en toe in de Biesbosch en de Merwede opduikt, het best.

DeWinter schrijft de terugkeer van oorspronkelijke vissoorten toe aan de sterk verbeterde waterkwaliteit in de Rijn. „ Ofschoon er nog wel bottlenecks zijn, zoals de waterkrachtcentrales, waarin met name de grotere vissen worden vermalen.”

Behalve vissoorten die van oudsher in de Rijn en andere Nederlandse binnenwateren thuishoren, rukt het aantal exoten in de rivier op. DeWinter: „De snoekbaars is daarvan het beste voorbeeld. Die komt uit Oost-Europa.

Ook de roofblei zit van oorsprong niet in de Rijn. Dat geldt ook voor de marmergrondel, zwartbekgrondel, Donaubrasem, de witvingrondel en de zonnebaars. Die laatste komt vanuit Noord-Amerika en gedijt vooral goed in zure vennen. Hoe die soorten hier komen?

Dat kan via ballastwater van schepen, of ze zijn uit een aquarium gehaald en uitgezet. In principe is het ongewenst dat deze soorten hier huizen. Behalve de snoekbaars, die zich hier echt een plek heeft verworven, lijden de andere soorten een marginaal bestaan. Zolang geen inheemse vissoorten door de exoten worden verdrongen, is het geen probleem.”

De opwarming van de rivieren door de klimaatverandering heeft beperkte gevolgen. „Besef wel dat de Rijn sinds 1900 al vier graden warmer is geworden. Bij verdere opwarming kan de zonnebaars oprukken, zoals in de Rhône is gebeurd. De klapaal en de spiering krijgen het veel moeilijker, omdat die het best gedijen in koud water. De klapaalstand was al laag. Het aantal spieringen in het IJsselmeer is flink gedaald de laatste jaren.”

© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.