Warkruid, een duivelse plant, groeit naar de hemel en raakt daarbij los van de aarde. De parasiet begint als een normale ‘aardse’ kiemplant.
Maar zodra de gevormde boorwortels voldoende voeding uit de gastplant halen, wordt de eigen wortel afgestoten.
Tijdens een wandeling over de Defensiedijk bij Bemmel neem ik een weezoete geur waar, die mij leidt naar een grote pol boerenwormkruid. De bloemhoofdjes van deze composiet zijn opvallend geel, maar het toupetje dat de plant op heeft, is nog geler.
In dit warnet van goudgele draden staan in bolvormige kluwen honderden tweeslachtige bloemen. Nog nooit heb ik één enkele plant meegemaakt die zo sterk ruikt. De geur komt echter niet van het boerenwormkruid, maar van groot warkruid: in de volksmond duivelsnaaigaren genoemd. Warkruidsoorten zijn stengelparasieten, ondergebracht in een gespecialiseerde tak van de windefamilie.
De plant heeft het boerenwormkruid in een wurgende omhelzing. Van wurgen is echter geen sprake; daarmee zou de parasiet niet alleen de gastheer, maar ook zich zelf op den duur van het leven beroven. Ik kende groot warkruid alleen als profiteur van de grote brandnetel. Klein warkruid, dat veel zeldzamer is en in tegenstelling tot groot warkruid op voedselarme droge grond groeit, parasiteert vooral op struikheide.
Groot warkruid op grote brandnetel heeft bij mijn weten altijd roodachtige, groengele stengels en niet knalgeel zoals bij het exemplaar op het boerenwormkruid. Achter het boerenwormkruid staan verschillende brandnetelhorsten die met roodachtige stengels overwoekerd zijn. Ook de bloemen van deze warkruidplanten zijn rood gekleurd. Misschien dat de rossig getinte stengels van warkruid op brandnetel nog enig bladgroen bevatten; die op het boerenwormkruid bevatten totaal geen groen. Ik sluit niet uit, dat de parasiet kleurstof uit het boerenwormkruid onttrekt, waardoor de windende warkruidstengels zo geel zijn geworden.
Een parasiet is een klaploper, een profiteur. Parasiteren klinkt negatief, althans in de mensenmaatschappij. In de natuur is het echter een normaal verschijnsel. Het is een samenlevingsvorm waarbij de parasiet profiteert van de gastheer. Als een vrouwtje van een teek bij mij bloed steelt, kan ik zeggen dat ze mij parasiteert, maar het negatieve effect is gering.
De teek is slechts een paar dagen aan mij, de gastheer, gebonden. Als ze voldoende eiwitrijk bloed heeft opgenomen, laat ze los en gaat ze eieren leggen. Het effect van de samenleving met een lintworm is voor de gastheer veel groter. Een dergelijke inwendige parasiet kan in tegenstelling tot de teek de gastheer niet verlaten. Het is in het belang van de parasiet om zuinig met de symbiont om te gaan. Als er teveel voedingsstoffen onttrokken worden, gaat de gastheer dood. Dat betekent dan ook het einde van de parasiet.
In de meeste gevallen van parasitisme wordt er maar matig afgenomen, zodat de vitaliteit van de gastheer er nauwelijks onder lijdt.
Bekende parasieten van mens en dier zijn mijten, vlooien, luizen, steekmuggen en rond- en platwormen. In de biologische bestrijding wordt gebruik gemaakt van insecten, bijvoorbeeld sluipwespen, die andere schadelijke insecten parasiteren. Ook planten gaan vaak gebukt onder parasieten. Snavelinsecten zoals bladluizen en cicaden kunnen, zeker als ze massaal optreden, de gastplant verzwakken.
Duivelsnaaigaren is in tegenstelling tot bijvoorbeeld maretak en een echte parasiet.
Maretak of vogellijm is een halfparasiet. Dat klinkt mild en zo is het ook. Halfparasieten zijn in tegenstelling tot de ‘hele’, de echte parasieten, wel in het bezit van bladgroen; een voorwaarde voor de eigen voedselproductie. Daarom boren ze alleen de houtvaten aan, waaruit ze water en voedingszouten onttrekken. Maretak doet dat op de stam. Er zijn ook halfparasieten die de houtvaten in de wortel aanboren. In de helmkruidfamilie komen we een groot aantal van die ‘halve’ parasieten tegen. Ogentroostsoorten, ratelaars en hengel hebben voldoende bladgroen om met eigen fotosynthese de noodzakelijke koolhydraten te vormen. Beide groepen onttrekken water en minerale voedingszouten uit de wortels van andere planten. Meestal zijn dat grassen.
Echte woekerplanten bezitten geen of nauwelijks bladgroen. De kiemplanten van groot warkruid hebben een kleine hoeveelheid bladgroen waardoor ze korte tijd op eigen kracht kunnen leven. Als de warkruidstengel in aanraking komt met de stengel van een geschikte gastheer begint hij zich daaromheen te draaien. Met boorwortels dringt de parasiet zowel de houtvaten als de bastvaten van de waardplant binnen. Als de plant na verloop van tijd voldoende voedingsstoffen uit de gastheerstengels kan halen, wordt het contact met de aarde verbroken. De stengels vertakken en vertakken en kunnen zelfs meerdere planten aanboren.
Als de primaire gastheer niet voldoende voeding kan leveren, wil de parasiet nog wel eens overstappen. Zo vond ik op de Defensiedijk groot warkruid op bijvoet en tevens op zijn naaste buur, een grote brandnetel. Ik weet niet zeker of we met twee kiemplanten te maken hebben gehad of dat het warkruid de overstap van bijvoet naar brandnetel heeft gemaakt: uit het garen van de duivel was de oorsprong niet meer te achterhalen.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.





















