De hond, een zwarte Duitse herder, was zenuwachtig. En niet zo'n klein beetje ook. Bloednerveus was hij, op een manier zoals alleen Duitse herders dat kunnen zijn. Ze lijken zo stoer, maar ze hebben vaak een heel klein hartje. Zodra hij over de drempel van de praktijk stapte, begon hij te piepen.
Eerst nog bescheiden, maar al snel was het meer een soort doorlopend janken.
De baas, een kleine maar stevige kerel, had het zweet op het voorhoofd staan
en voelde zich met de minuut minder op z'n gemak. Hij rukte aan de riem,
sprak de hond voortdurend toe, maar het maakte op hem geen enkele indruk.
Eenmaal in de spreekkamer deed de hond er nog een schepje bovenop. Je
verstaanbaar maken was nu absoluut onmogelijk.
Mijn collega had de
hond een muilkorfje omgedaan, maar die had het ding in een oogwenk van z'n
snuit afgetrokken en loeide vrolijk verder. De eigenaar had mijn collega met
de nodige moeite in het oor kunnen toeteren dat het dier soms met de poot
trok. Onze herdershond had inmiddels alle registers opengetrokken. Het werd
de eigenaar allemaal duidelijk teveel, hij was zelf ook niet helemaal in
orde en had, na een kort overleg met de assistente, de behandelkamer
verlaten, en stond buiten een beetje op adem te komen.
De
assistente hield de hond vast, de dierenarts onderzocht de achterpoot, de
hond had het alleen maar druk met loeien. Converseren was een utopie, de
enige taal die gebruikt kon worden, was gebarentaal. Ondertussen, telefoon:
dierenarts houdt de hond vast, tussendeur dicht, assistente naar de
telefoon. Een vraag voor de dierenarts. Deur open, assistente naar de hond,
dierenarts naar de telefoon, deur dicht. Gesprek afgelopen, deur open,
onderzoek voortgezet. Toen dit uiteindelijk was voltooid, gebaarde mijn
collega naar de assistente dat zij de eigenaar kon gaan halen. Hem uitleg
geven over haar bevindingen was al net zo onmogelijk, dus nu was het de
beurt aan de assistente om met onze sirene naar buiten te gaan. De eigenaar
werd zo snel mogelijk bijgepraat over het pootprobleem. Restte nog het
klaarmaken van de medicijnen en het voldoen van de rekening. Het één een
klusje voor de assistente, het ander voor de eigenaar. Dus opnieuw wisselden
ze stuivertje: assistente achter de balie, eigenaar ervoor, en nu was het de
beurt aan de dierenarts om met de hond naar buiten te gaan. Toen alles was
afgehandeld en baas en hond vertrokken waren, keken de assistente en de
dierenarts elkaar vol ongeloof aan. Je beleeft zoiets als in een film. Een
slappe lach is dan vaak het logische gevolg. Praten had sowieso weinig zin.
De oren suisden nog veel te veel na.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.
















