Er zijn dingen die ik liefst zo lang mogelijk uitstel. Zoals het opvouwen van de zomer.
*Ik zie ook wel dat het geen gezicht is; een klaptafel met gebloemd plastic kleedje op een bedje van herfstbladeren. Maar als ik het opruim, is het voorbij.
Lange avonden met glazen rosé hebben zich genesteld in het blauw van de bloemen. Tussen de groene steeltjes zie ik verbleekte vlekken van barbecuesaus. Ze worden geconserveerd door plasjes helder regenwater.
Het tafelkleedje kocht ik op een warme vrije dag. ‘Doe maar een meter in het vierkant’, zei ik tegen de verkoopster in de winkel vol prullaria. Ze pakte de rol en zette een grote schaar in het plastic. Met het pakketje in mijn rode fietstas reed ik in zomerjurk over de singels naar huis.
Een paar dagen later werd mijn fiets gejat. Pal voor de deur. Het kleedje lag toen al op de tuintafel. Het was een van de laatste aankopen die ik in mijn fietstas vervoerde.
De zomer opvouwen betekent dat de fiets voorgoed weg is. Dat er echt geen mooie avond meer komt voor een etentje in de tuin. Dat het vroege donker geen incident was.
Ik ken mensen die uitkijken naar een nieuw jaargetijde. Die kunnen genieten van een herfstwandeling in het bos. Ik heb dat niet. Ik haat wandelen. Ik hou van zitten. Genoeg hebben aan het gezelschap van de zon.
Door het raam zie ik hoe Robbert – mijn kat - onder de klaptafel op het terras schuilt voor de regen. De plastic bloemen op het kleedje zijn de enige die nog bloeien in de tuin.
Terwijl ik kijk hoe mijn kat zijn staart om zijn lijf drapeert, weet ik dat ik mijn excuus heb gevonden. De tafel moet blijven staan. Ik kan het Robbert niet aandoen om zijn schuilhuisje in te klappen.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties











