‘Waarom staat u hier’, vraag ik aan de man in de donkerblauwe werkjas. Hij wacht naast de slagboom bij de ingang van de ondergrondse parkeergarage.
Ik zit in mijn auto en heb het raampje naar beneden gedraaid.
Hij legt zijn dikke wijsvinger op mijn voorruit.
‘Hierom’, zegt hij.
Met zijn andere hand drukt hij op de knop van de ticketautomaat. Hij geeft
me het kaartje aan en de slagboom gaat omhoog.
‘Ga daar maar effe staan’, gebaart hij.
Ik zet mijn auto op de plek die hij bedoelt.
‘Wij kunnen dit kosteloos maken’, zegt de man.
Het is hem te doen om een minuscuul deukje in mijn voorruit. Dat zou zomaar
kunnen uitgroeien tot een enorme ster. Vooral met die kou.
‘O jee’, zeg ik.
‘Hoe bent u verzekerd’, vraagt hij. ‘WA-plus?’
‘Ehmmm.’
‘Weet u wat, ik bel even voor u.’
Aan een klaptafel achterin de parkeergarage belt hij mijn verzekeraar.
Intussen moet ik een formulier ondertekenen.
‘Nou mevrouw, u bent hartstikke goed verzekerd. Gaat u maar lekker winkelen.
Als u terugkomt is de ruit gerepareerd.’
In de stad kom ik een vriend tegen. Ik vertel hem over de mooie dingen die
gebeuren onderin de parkeergarage. Hij kijkt me schuin aan. ‘Ben je nu niet
je no-claim kwijt?’ Vriend vraagt of ik mijn autosleutel ook moest afgeven.
Hij zegt het niet, maar hij vindt me naïef.
Ik winkel verder met een vervelende smaak in mijn mond. Gehaast. Eerder dan
gepland sta ik voor de man met de donkerblauwe werkjas. Samen met een
collega zit hij achterin de garage aan de halve haan.
‘Ik vroeg me nog af: ben ik nu mijn no-claim kwijt?’
Hij trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Natuurlijk niet, dan had ik dat toch gezegd
mevrouw?’
Ik geef hem mijn liefste glimlach. Zie je wel, de onderwereld moet je gewoon
vertrouwen.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.















