In hoeveel wildvreemde fotoboeken zit ik? Honderd? duizend? Misschien tienduizend? Het is een vraag die me elke vakantie weer bezighoud. Ik vaar in een bootje over de rode zee. Een Russische vader schiet plaatjes van zijn bloedjes van kinderen. De jongste zit naast mij. Klik! Vereeuwigd in het familiealbum van een Rus. “Wie is de blonde vrouw?” vragen de kijkers thuis. De vader tuurt naar de foto. “Geen idee. Ze zat naast Irina.”
Zie ook:
Thuis heb ik ruim dertig jaar fotoboeken staan. Ze zitten vol onbekenden. Ik weet niet hoe ze heten, ik ken hun verhaal niet. Het zijn figuranten. Ze lopen een keer door het beeld, dat is alles.
Gisteren reden we in een taxi door wereldstad Cairo. Vanuit de auto schoot ik plaatjes met mijn Nokia. Mannen op ezelkarren in de file, gesluierde vrouwen in de stoffige berm langs de weg. Ze kijken niet in de camera, ze zijn bezig met hun leven.
Wie maakten er foto’s van mij? Terwijl ik gewoon mijn auto parkeerde voor de Eusebius in Arnhem, met volle tassen door de winkelstraat slenterde, bier dronk op een terras aan de kade. Toeristen namen me mee naar hun huizen in Japan of de Verenigde Staten. Plakten me in een persoonlijk boek zonder te weten wie ik was.
Ik wacht op de dag dat een Rus me aanspreekt. Misschien op de volgende vakantie in Mexico. ‘Hey I know you. Je voer met een bootje over de Rode Zee in maart 2009. Je zit in mijn album.’
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.















