Er was eens een klein jongetje met goudblonde krullen. Hij kon niet staan en
niet lopen. Zelf zat hij daar niet mee, hij lachte altijd. Maar af en toe
zag hij zijn moeder vermoeid naar haar rug grijpen. ‘Ik moet haar helpen’,
dacht het jongetje, dat Job heette. ‘Maar hoe?’
Job kon nog maar een paar woordjes praten, dus overleggen met vriendjes of
opa en oma, ging niet. Er zat maar één ding op. Hij moest de poes vragen.
Die zou het probleem begrijpen en de kleine Job helpen.
Op een
winderige middag rolde Job zoals gewoonlijk over de vloer richting de grijze
kater, die Whiskey heette. Hij trok hem drie keer aan zijn staart, wat
betekende dat hij iets belangrijks wilde vertellen. Whiskey strekte zich
loom uit en gaf Job twee kopjes. ‘Kom maar op’, bedoelde hij daarmee.
Job knikte in de richting van zijn moeder, die chagrijnig de afwas deed in de
keuken. ‘Ik word te zwaar Whiskey’, legde hij de kater uit. ‘Ik ben nu twee
jaar en mama kan me niet meer zo goed tillen. Heb jij geen plannetje om haar
te helpen?’
Whiskey trilde twee keer met zijn
rechtersnorharen en schudde vier keer met zijn linker achterpoot.
‘Middernacht. Jouw kamer. Ik kom je halen’, betekende dat.
De kater kromde zijn rug en nestelde zich in zijn luie stoel. Job ging
onschuldig bladeren in zijn voelboekje en kirde ‘dada’ om een glimlach op
moeders gezicht te toveren.
Gespannen ging het kleine kereltje ’s
avonds naar bed. Hij vertrouwde Whiskey, dat zeker. Maar wat had de kater
bedacht?
Om één minuut voor twaalf piepte de deur van zijn kamer
heel zachtjes. Job voelde twee pootjes in zijn rug. Whiskey duwde hem met
alle kracht die hij had overeind. Jas, muts, shawl en handschoenen had hij
al naar boven gesleept. Hij hielp Job met aankleden. Drie keer draaide hij
zijn harige oren naar voren en naar achteren. Job keek hem ongelovig aan.
‘Op jouw rug?’
De kater stond al klaar. Job rolde uit
bed en belandde met een plofje op de soepele rug van Whiskey. Zo gingen ze
de trap af, het raam door en de donkere straat op. Job was nog nooit zonder
grote mensen buiten geweest. Hij keek zijn ogen uit. De kleine jongen greep
Whiskey stevig vast bij zijn fluorescerende halsband en dook diep weg in
zijn kraag. Samen slingerden ze dwars door de stad. Tot Whiskey
zelfverzekerd stilhield voor een groot huis in een doodlopend straatje. De
kater keek achterom en miauwde hard.
Job snapte dat er iets stond
te gebeuren. Whiskey nam een aanloop en sprong van een stenen muurtje naar
een balkon. Via de open deur glipte hij een onbewoond huis binnen en rende
naar een grote ijzeren deur. Met zijn pootje drukte hij op een rode knop.
Job schrok zich een ongeluk. Met een gigantisch lawaai kwam een ijzeren bak
naar beneden. Het gevaarte stopte achter de deur en Whiskey sprong naar
binnen. Jobs maag draaide om. Ze gingen opeens naar beneden! Net als soms in
het ziekenhuis.
Triomfantelijk duwde Whiskey beneden de deur weer
open en draaide zijn kopje. ‘Snap je het nou?’ Job straalde. ‘Ik snap het
poes, een lift! Het is een huis met een lift! Mama hoeft me de trap niet
meer op te zeulen en kan me met wagen en al naar boven vliegen!’
Wat een goed idee. Maar hoe kwamen papa en mama aan dit huis? Een van de
buurtkatten moest worden ingeschakeld.
De beruchte rode kater
Dexter was niet te beroerd om zijn kameraad Whiskey een handje te helpen.
Zijn baasje was ambtenaar. Via de gemeente kon de tip van het aangepaste
huis wel bij Jobs ouders terechtkomen. Dexter beloofde ervoor te zorgen. De
kat had zo zijn manieren, waar de meeste katers niets van begrepen. ‘Het
lot’, zo noemde hij het zelf altijd.
Voor Whiskey en Job was
het tijd om terug naar huis te gaan. De handen van Job in zijn wantjes
begonnen koud te worden. Voorzichtig zocht Whiskey zijn weg door steegjes en
struiken. Hij voelde Job zwaar worden. De kleine jongen was in slaap
gevallen. Zorgzaam stopte Whiskey zijn kleine vriend thuis onder de deken.
Voor hem was het tijd om te gaan, de straat wachtte.
De volgende
ochtend belde Jobs vader voor een vraag over hulpmiddelen naar de gemeente.
‘Toevallig’ kreeg hij de tip dat er een aangepaste woning te koop stond aan
de andere kant van de stad. Whiskey knipoogde naar Job, die van vreugde in
zijn handjes klapte. Ze wisten dat het goed kwam en leefden nog lang en
gelukkig.
P.S. Soms moet je geloven in sprookjes. Vandaag
krijgen wij de sleutel van onze aangepaste koopwoning.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties












