Ik trap, Job kijkt. Zijn oranje Unox-muts heb ik ver over zijn oren
getrokken. Het is boerenkool-met-worst-weer.
Aan het eind van de
straat stuur ik de rolstoelfiets links de hoek om. Job strekt zijn arm uit
richting etalages. "Jowwe ij ete?"
Automatisch antwoord ik: "Nee Job, we gaan nu geen ijsje eten."
Als ik het mezelf hoor zeggen, schiet ik de werkelijkheid in. Zei hij nou 'ijs
eten'? Hier? Nu? Dat kan geen toeval zijn.
Job houdt het vrolijk
nog even vol. "Jowwe ij ete?" Gooit zijn hoofd achterover en
probeert me aan te kijken.
We fietsen ter hoogte van een klassieke
Hollandse snackbar. Toen het nog salade-met-stokbrood-weer was, haalden we
hier een paar keer een ijsje. Ik parkeerde de fiets voor de etalage, liet
Job voorop zitten en voerde hem met een houten lepeltje de inhoud van een
oubliehoorn.
Hoe is het mogelijk dat hij dat nog weet? Het moet
zeker drie maanden geleden zijn dat we hier voor het laatst kwamen.
Ik heb de neiging acuut de snackbar binnen te stappen en Job te belonen met
ijs. Maar het zou zo ongeveer vast vriezen aan zijn lippen, dus als moeder
met enig gevoel voor verantwoordelijkheid fiets ik nog een klein stukje
door. Stop de rolstoelmobiel voor de ingang van het park en duw Job omhoog
richting de tijdelijke ijsbaan.
Dit was mijn eigenlijke doel. Met
Job kijken naar de schaatsende kinderen en de blauwe lampjes tussen de bomen.
Aan de rand van de ijsbaan vraag ik me af hoe Jobs hoofd er van binnen
uitziet. In welk vakje slaat hij welke kennis op? Job denkt in beelden,
zoveel weet ik al van hem. Komen we langs het kunstgrasveldje in onze wijk,
dan roept hij steevast 'af uit'. Het betekent dat hij uit zijn wagentje wil
om bij de kinderen op het plastic gras te liggen. Job wil ook 'af uit' als
het regent, als het stormt en als er in de verste verte geen levend persoon
op het veldje te bekennen is.
Zijn eerste schooldagen heeft Job er
inmiddels opzitten. Hij kan me nog niet vertellen hoe het was. Maar ik kan
hem er wel naar vragen. Aan het eind van de allereerste dag vroeg ik hem in
bed: "Heb je fijn met N. gespeeld?"
Mijn zoon stuiterde
van enthousiasme bijna zijn hooglaagbed uit bij de herinnering aan N., zijn
vriendinnetje. Hij kent haar al van de opvang.
Heel soms denk ik
wel eens dat we het helemaal mis hebben. Dat Job alleen maar geestelijk
achter is vanwege alle narcoses. Dat hij de enige in zijn soort is zonder
verstandelijke beperking. Over een jaar of wat leert hij lezen, daarna
rekenen en hij eindigt op de universiteit. Ik als moeder schaam me de ogen
uit mijn kop. Mijn intelligente zoon zal me met zachte blik aankijken en
meewarig glimlachen. "Jij kon het toch ook niet weten mam."
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties












