Ik ben te laat, kom net van mijn werk. Vanachter een dik gordijn kijk ik naar hem. Met zijn ogen volgt hij de voorstelling op het podium.
Tot hij zijn hoofd in zijn nek gooit, zich omdraait en mij recht in het vizier krijgt. 'Mama' roept hij heel hard. 'Mama mama mama mama!' Armen gestrekt, gezicht in lachstand.
Mama kan nu niet meer met goed fatsoen achter het doek blijven staan. Ik wurm me tussen de kinderen door en kniel naast mijn zoon. Laat me doodknuffelen.
Job stinkt naar kots.
Ik maak me los uit zijn omhelzing, veeg mijn gezicht droog – Job kwijlt – en kijk naar zijn haar. Harde krullen. Er komt een zure lucht uit.
Ik hoor mijn naam. Mijn man, links in de aula, wenkt me. Geïrriteerde blik. 'Je mag daar niet zitten!' Huh? 'Ouders mogen niet bij de kinderen'. Verontwaardigd wijs ik naar alle moeders en vaders die gezellig met gehandicapt kind op schoot de voorstelling bekijken. Als ik Jobs vader in de ogen kijk, snap ik dat het geen goed moment is voor discussie. Ik kruip mee naar achteren.
Einde romantiek.
Fluisterend vertelt mijn man over zijn aankomst op school. Job had net overgegeven en in het resultaat liggen rollen. Paardenshirt vies, hele hoofd smerig. Maar de show begon, dus Job moest mee. Geen tijd voor schone kleren.
Zwijgend kijken we naar het podium. Leidsters in dierenpakken zingen liedjes. Een kip, een koe, een paard, een varken. Plus boer en boerin.
Nu komt het deel waarin Job zijn eerste rolletje heeft. De fysiotherapeute duwt hem en zijn vriendje op wielen naar voren. De hele klas – zes kinderen – zingt het paardenliedje mee.
Ik kijk naar mijn zoon. Kan alleen maar denken aan het overgeven. 'Als het maar mooi weer wordt, dan gaat het wel over', riepen wij de hele winter. Buiten is het 25 graden. Ons kind spuugt bijna elke dag. Geen dokter die het weet.
Ik voel dat ik ga huilen. Nu. Hier. Er is niks aan te doen. Gelukkig kan ik opstaan en doen alsof ik Job beter kan zien als ik sta. Half achter het gordijn.
Job klapt met het liedje mee. Grijpt dan de neus van het varken. Trekt net zo lang tot hij het roze ding in zijn hand heeft. Ik moet lachen, maar het is niet genoeg. Job pakt na het zingen het handje van zijn rolstoelkameraad. Het vertedert me, maar het is niet genoeg. Ik ben gewoon verschrikkelijk verdrietig. Zou weg willen rennen. Naar huis, naar bed, naar het donker.
Dat doe ik natuurlijk niet. Netjes blijf ik tot het einde. Bedank de leidsters, kus mijn zoon en stap op de pedalen richting kantoor. Een weeë lucht blijft de rest van de middag in mijn neus hangen.
- www.gelderlander.nl/specials/columns /job/
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties












