We hebben een tweede Job in huis. Een meisje van bijna een jaar. Ze heeft onmiskenbaar dezelfde trekken. Amandelvormige oogjes, oren laag tegen het hoofd geplakt, klein stopcontactneusje.
‘Als Job nummer twaalf was, is Kelly dan nummer dertien’, vraagt de moeder van de baby.
‘Volgens mij werd er vlak na Job in Nederland nog één geboren’, zeg ik.
In zijn trippelstoel kijkt Job nieuwsgierig naar – waarschijnlijk – nummer veertien op mijn schoot.
Het is een vreemde middag. We hebben ‘lotgenoten’ op bezoek; ouders met een kindje dat met hetzelfde syndroom geboren is als Job. Normaalgesproken zijn we niet zo van de lotgenoten. ‘Je kunt ze toch niet vergelijken’, hielden mijn man en ik elkaar altijd voor. Maar deze mensen zochten óns. En dus waren ze welkom.
Baby Kelly heeft de hechtingen van haar schedeloperatie nog in haar hoofdje zitten. Haar moeder stuurde me voor de ingreep – die Job ook onderging vlak voor hij één werd - een foto van haar dochter. Twee druppels water. Met het opvallende aangeboren punthoofd had ze Jobs zusje kunnen zijn.
We bladeren door Jobs baby-album. De gelijkenissen zijn bizar. ‘Kelly heeft ook een navelbreuk’, merkt haar vader op. Hij trekt haar jurkje omhoog. De bult op de buik van Kelly heeft de vorm van de ovale plastic capsule die je in een verrassingsei vindt als je de chocola hebt opgegeten. Job had een bal ter grootte van een kleine bloemkool op zijn romp. Hij moest eraan geopereerd worden. Als het goed is, groeit het buikje van baby Kelly vanzelf dicht.
‘Heeft ze ook vierkante nageltjes?’ Ik bekijk de teentjes van Jobs lotgenootje van dichtbij. ‘Nee, zo te zien niet.’
In de weinige literatuur die ik heb over kindjes als Job, las ik laatst iets over de typische nageltjes. Mijn zoon heeft ze wel.
‘Was Job net zo slap?’ vraagt de moeder van Kelly. De baby hangt in mijn armen. Op het laminaat plant mijn zoon zijn ene voet voor de andere. Hij loopt in zijn stoeltje naar de kast om een boekje uit te zoeken. Ik zie de moeder kijken en begrijp de vraag. Nog goed kan ik me herinneren dat wij ons niet voor konden stellen dat Job ooit iets zou gaan doen wat leek op zich voortbewegen. ‘Hij was net zo slap’, zeg ik.
Job kletst hele zinnen voor zich uit. Baby Kelly maakt een miauwgeluidje. We vertellen dat Job sinds een halfjaar enorme sprongen maakt op het gebied van taal.
Kelly heeft eetproblemen. Kelly drinkt slecht. Kelly heeft een kromme rug. Kelly bracht een groot deel van haar eerste levensjaar door in het ziekenhuis. Kelly is minstens zo lief als Job. We knikken en knikken. Geven een rondleiding door ons aangepaste huis, praten over de gemeente, mopperen op de verzekering en verbazen ons over regeltjes.
Hoe het voelt, daar laten we ons niet over uit. We kennen elkaar nog maar net.
‘We houden contact’, zeggen we als de kinderen moe zijn van het vergelijken. De moeder pakt haar baby op. Het kind is helemaal nat.
‘Zweet die van jullie ook zo?’, vraag ik.
‘Enorm’, zegt ze.
Zie je wel. Altijd al gedacht dat het iets met Jobs syndroom te maken had.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties












