Job kijkt vanuit zijn wagentje vragend omhoog. Ik ga door mijn knieën en hurk achter hem neer. Mijn handen leg ik op zijn buik. Job legt zijn handje op de mijne. Zo kijken we samen naar het zee-aquarium. Mijn zoon is gefascineerd door de schittering van het licht in het bewegende water. Hij blijft kijken.
Dan zwemt er een grote geelgestreepte vis voorbij. Job volgt het beest achter het dikke glas met zijn ogen. Net zolang tot het uit beeld is. Dit is zijn eerste kennismaking met een vis.
Jobs vader en ik glunderen. "Zag je dat? Hij zag 'm!"
Nu Job het kunstje door heeft, ziet hij de ene vis na de andere. We lopen verder door het donkere aquarium, tot we in de tunnel staan. Over ons hoofd zwemmen haaien en roggen. Job parkeren we vlak voor de glazen wand. Hij kijkt naar de gitaarhaai. En naar de kinderen die naast hem staan te joelen.
Trots lopen we naar buiten. Onze zoon heeft échte vissen gezien. Zelf zijn we gek op snorkelen. We stellen ons Job voor met een klein duikbrilletje en een snorkeltje op. Wie weet komt het ooit zover...
Bij de viskiosk koop ik drie gekleurde vissen op een buigbare stengel. Als aandenken, voor thuis aan zijn bedje. Snel lopen we door naar het restaurant bij de uitgang. Ik bestel poffertjes. Met slagroom.
De slagroom is voor Job, de poffertjes zijn voor mij. Job zit bij zijn vader op schoot te smikkelen. Protesteert als zijn portie op is.
Wat wordt hij al groot.
In een paar weken tijd is Job enorm veranderd. Niks baby. Het is een peuter met een eigen karakter. Heel duidelijk geeft hij aan wat hij wel en niet wil. Job weet hoe hij dingen gedaan moet krijgen. Overdreven reiken naar iets waar hij niet bij kan, betekent dat ik hem het speeltje moet geven. Klieren met de beker of de lepel tijdens het eten, betekent 'mama, ik hoef niet meer'.
Tegenwoordig gaat hij ook huilen als ik de deur van zijn kamer dichttrek na het voorlezen. Vindt-ie niet gezellig. Heel zielig. Na een minuut of tien valt hij meestal in slaap. Elke keer weer moet ik de neiging onderdrukken terug te gaan. Wat Job niet weet, is dat ik altijd achter de deur blijf staan tot hij stil wordt. Waarom weet ik eigenlijk niet. Beneden kan ik hem ook prima horen. Het is een soort schuldgevoel denk ik. Streng willen zijn, maar hem het liefst nog even knuffelen. Troosten. Laten weten dat mama er altijd is.
Lichamelijk gaat hij goed vooruit. We oefenen hard met zelfstandig zitten. Jobs vader heeft de meest fantastische speeltjes gefabriceerd van hout, verwarmingsbuizen en babyspeelgoed. Job laten we tussen onze benen zitten, op de grond. Voor Job is het vreselijk zwaar, maar zijn nieuwsgierigheid wint het altijd. Hij blijft redelijk rechtop zitten. Wij zijn er voor zijn evenwicht.
Ook nieuw is zijn briljante vermogen het verlegen jongetje uit te hangen. Kijkt een vreemde hem aan, dan begraaft hij zijn gezichtje diep in mijn trui. Of hij draait zijn mooie blauwe oogjes naar boven. Dit toneelstukje duurt meestal maar kort. Ook hier wint de nieuwsgierigheid het gauw. Maar het theater heeft wel effect. De vreemde noemt hem 'schattig' en 'oh, wat een poepie' en Job krijgt nog meer aandacht.
Ik vind dit een fantastisch spel. 'Doe niet zo gek Job', zeg ik, zoals ik andere moeders heb horen zeggen. Eigenlijk bedoel ik: 'Ga door, ik vind je zo lief!'
Sinds een paar dagen is dit ritueel nog leuker. Job pakt met twee handjes mijn arm en houdt me stevig vast. Net als bij het aquarium in de dierentuin. Hij wil me aanraken, zich veilig voelen. Zoekt mijn ogen voor een bevestigende blik. Nog nooit voelde ik me meer moeder van Job dan de afgelopen periode. Hij weet donders goed wie ik ben. Praat ik tegen hem aan de telefoon, dan begint hij te lachen. Geweldig, ik beteken iets voor hem!
Pas sinds kort begrijp ik iets van de magie tussen ouders en kinderen. Als een perfect gelukkig gezinnetje je ziet ze wel in tv-reclames rijden we van de dierentuin naar huis. Job is ónze zoon. De mooiste, leukste en liefste van allemaal.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.














