In een rode leren jas – zonnebril op – loopt hij achter ons. Een hippe
vader. Zijn dochtertje leunt scheef op haar fiets met zijwieltjes tegen zijn
been. Ik voel haar ogen branden. Hoor de vraag aankomen.
"Omdat dat jongetje een handicap heeft", antwoordt papa.
Ik draai me om. Laat Job even los. Ik kijk de onbekende man recht aan.
"Nee hoor. Hij is gewoon lui."
Altijd al een keer willen
zeggen.
De papa kan erom lachen. Hij wijst op het tweede dochtertje
dat onderuit gezakt in een buggy hangt. "Neem deze. Die is pas echt lui.
"
Het is een mooie dag. De zon schijnt. Met z'n drieën
wandelen we in het park. Job in zijn wagentje in het midden. Mijn man en ik
hebben allebei een handje van hem vast. Zo trekken we hem voort. Met onze
vrije handen zwaaien we naar de lange schaduw van drie mensen op het pad.
Job vindt vandaag alles prachtig. Ik pak mijn armen vol bladeren en leg ze op
zijn schoenen op het voetenplankje. "Nu schoppen Job." Het is
immers nog herfst.
Ons novembertafereeltje levert vertederde
blikken op. Kijk wat knap, ze zijn gelukkig met hem. Zingen scoort nog
beter, weten we uit ervaring. We zetten Old MacDonald in.
Bij de
schommel stoppen we. Het is een grote mand aan touwen. Ik ga liggen, Jobs
vader geeft me onze zoon aan. Mijn man duwt. Hoe harder ik lach door de
G-kriebels in mijn buik, hoe uitbundiger Job schatert.
Ik vertel
mijn zoon over de reizen die we nog gaan maken. Naar de reuzenpanda's in
China; bij de derde wolk rechtsaf richting de keizerspinguins op Antarctica
en morgen achter de spreeuwen aan naar opa en oma in het dorp waar ik
opgroeide.
Job en ik vliegen hoger en hoger. Als de mand bijna
verticaal in de touwen hangt, zie ik de lege rolstoel op het veldje staan.
Onder ons leunt mijn man nonchalant tegen de houten paal van de schommel.
Grote stoere kerel.
Even kijk ik door de ogen van een
buitenstaander. Is dit de vader van het gehandicapte jongetje? Waar is de
verbeten trek om zijn mond? Hoe kan het dat zijn schouders niet hangen?
Onze zoon is bijna vijf. We zagen hem aan de beademing liggen, uitdrogen,
opkrabbelen, vermageren, naar school gaan, leren praten.
De
schommel is bijna uitgezwaaid. Jobs haar staat rechtop van de wind. De man
in rode leren jas zie ik nergens meer. Zit vast ergens met zijn dochters op
de bank aan de chocomel met speculaasjes.
Mijn man vist Job en mij
één voor één uit de mand. Hij hoeft niet te weten wat ik denk: wat knap, hij
is gelukkig met hem.
www.jobeenzeldzaamjongetje.nl
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties












