De voordeur trek ik in het slot. Ik kijk door het raam nog even naar de chaos binnen. Kaal zo, zonder gordijnen. Het zal een van de laatste keren zijn dat ik hier wegloop. Deze straat uitrijd. Die gedachte geeft me een gevoel van rust.
De verhuizing naar onze prachtige aangepaste woning betekent geen zorgen meer over de toekomst. Op woongebied dan. Soms vragen mensen me hoe lang ik denk dat Job nog bij ons kan wonen. Maakt me heel boos, die vraag.
Waarom?
Omdat er geen antwoord op bestaat. Hoe lang denkt een ‘normale’ ouder dat zijn ‘normale’ kind nog thuis blijft? Daarbij word ik misselijk bij de gedachte aan Job in een instelling zonder papa en mama in de buurt.
Ons nieuwe huis heeft ruimte, een lift en een mega-grote badkamer. Overal kunnen tilinstallaties, mocht het nodig zijn. Een invalidenparkeerplaats hebben we al.
Job hoort bij ons, hoe moeilijk het ook mocht worden.
Hier en daar lees ik wel eens wat. Over gehandicapte kinderen die niet meer thuis kunnen wonen. Maakt me intens verdrietig. Hoeveel pijn hebben die ouders? Als het kind eenmaal weg is, volgt er vast een nieuw evenwicht. Maar het idee?
Toen Job nog maar een heel klein Jobje was, hadden we eens een gesprek bij een instelling. Onze zoon zou daar misschien tijdelijk gaan wonen. Hij was namelijk klaar in het ziekenhuis (de eerste drie maanden na zijn geboorte woonde hij daar), maar de gemoedstoestand van Jobs papa en mama, ons dus, was nog niet zo jofel.
Konden we Job wel aan in huis? De bron van ons grote verdriet – een gehandicapt kind – continue in de buurt. Leren omgaan met zijn beperkingen. Het slangetje in zijn neus.
Tijdelijke opvang elders kon verlichting bieden. We kregen een rondleiding door de instelling aan de rand van een industrieterrein. ‘In dit gebouw zitten wel de ergste gevallen’, waarschuwde de gastvrouw ons. ‘Dus schrik niet.’
We schrokken wel. We schrokken ons dood. De groep waar Job zou komen, bestond uit een aantal volwassenen. Er kroop er een op handen en voeten door de gang, een ander zat apathisch voor het raam in een elektrische rolstoel. Deze ernstig meervoudig complex gehandicapte mensen zouden onze baby verzorgen. Ja, ook de fles geven. Konden wij nog niet eens, zo lastig ging dat bij Job, maar volgens de mensen van de instelling moest het kunnen.
‘En ’s nachts?’, vroegen we.
‘Dan is er alleen videobewaking.’
Ik zag mijn mans gezicht betrekken. Over zijn lijk. Hij hoefde niets meer te zien, niets meer te horen. En ik? Laat ik het zo zeggen: we waren niet voor niets in deze instelling. Met mij ging het niet zo goed. Ik volgde de vader van Job.
Woedend was hij. Welke gekke dokter had dit bedacht? Welke idioot met een rond brilletje zat ergens in een torenkamertje boosaardig te schateren om zijn waanzinnige experiment?
Mijn man had zijn besluit al genomen: Job ging naar huis. Wij zouden voor hem zorgen. We konden het, zouden het wel leren.
Het mooie aan deze horrorgeschiedenis is dat het vooral bij mijn man de ogen opende. Zijn zoon was vergeleken met de ‘erge gevallen’ uit de instelling helemaal niet zo slecht. Misschien kon hij leren praten, of lopen. Zeker weten deden we het niet, maar er waren genoeg voorbeelden van kinderen met zijn afwijking die het goed deden.
Dus kwam Job in zijn blauwe maxicosi op een dag naar huis. Naar dit huis, waar we straks niet meer wonen. Een foto van dat moment zit nog in het plakboek.
Het ging goed, heel goed zelfs. Kleine Job ging overdag naar de opvang, ’s avonds leerden wij hem kennen. Wat een vent! Zo lief, zo makkelijk.
Het is allemaal alweer twee jaar geleden. Ik laat ze graag achter deze voordeur achter, die hectische jaren. Diep in mijn hart hoop ik dat we in ons nieuwe huis een soort tweede kans krijgen.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties












