Job moet een corset. In elk geval tot hij zestien is, misschien zijn hele
leven. De boodschap van de orthopeed is kort maar krachtig. Job is het
afgelopen halfjaar zo veel krommer gegroeid, dat we niet meer kunnen
afwachten.
Ik kijk naar mijn zoontje. Onschuldig zit hij in zijn wagentje te spelen met
vier gekleurde plastic ringen. Ik word overvallen door medelijden. Dit heeft
hij niet verdiend. Hij vecht zó hard, hij is zó positief. En als dank
sluiten we hem levenslang op in een corset.
Van mijn vermogen om
kritische vragen te stellen, is niets meer over. Ik kan alleen maar dom ja
en nee knikken. Met een briefje van de dokter sta ik binnen een paar minuten
weer buiten. We moeten naar de gipskamer.
Hier was ik niet op
voorbereid. Ik kwam naar het ziekenhuis voor een reguliere controle. Foto’s
maken van de rug, een gesprekje met de specialist en weg. Tenminste, dat
dacht ik.
Tuurlijk waren we bezorgd om die kromme wervelkolom. Maar
Job werd sterker, vond het best om op zijn buik te liggen en zo zijn rug te
strekken. We deden wat we konden. Net als de fysiotherapeute, die hem met
spelletjes aanspoort zich lang te maken. We hoopten dat Job zijn lijf zelf
kon corrigeren met spierkracht.
Mijn zoon heeft een zogenoemde
kyfoscoliose. Dat betekent dat zijn wervelkolom op twee manieren krom is.
Zijn rug groeit naar voren, zodat hij van de zijkant een beetje lijkt op een
bolletje (kyfose). Onderin heeft zijn wervelkolom de vorm van een s
(scoliose).
De verkromming is gevaarlijk voor zijn longen. Die
kunnen in de knel komen. Job krijgt al preventieve antibiotica om hem zonder
longontsteking de winter door te helpen. Met een extreem kromme rug zal Job
ook niet kunnen lopen – als hij dat ooit zou proberen.
Ik doe
mijn best mijn weg te vinden naar de gipskamer. Met lood in mijn schoenen.
Ik wil omdraaien, Job in de auto pakken en doorrijden naar een warm mooi
land. Een land zonder ziekenhuizen. Een land zonder zorgen. Een land waar
alles niet is zoals het lijkt.
Maar ik loop door. Stap de lift in
naar boven. O, wat voel ik me een verrader. Alsof ik mijn kind
hoogstpersoonlijk naar de slachtbank rijd. Waarom ben ik alleen gegaan? Ik
mis mijn vriend. Die hoort naast me te lopen. Dit is weer een wijze les. In
het vervolg gaan we altijd samen. Want je weet het nooit.
De vrouw
aan de gipsbalie vangt ons goed op. Job krijgt een glimlach, ik wat glaasjes
water. We praten over hoe oneerlijk het is. Over dat dit niet zou mogen.
Maar dat het wel zo is.
Als de gipsspecialiste er is, wil ze eerst
zelf de foto’s zien. Want een corset aanleggen bij een kindje van twee, dat
gebeurt niet vaak. Als ze terugkomt, kijkt ze zorgelijk. Ja, het zal echt
moeten. De kromming is flink. Maar een corsetje dat af en toe af mag, heeft
haar voorkeur. Job moet soms lekker kunnen knuffelen zonder harde buitenkant.
Voor mij is dit ook een must. Ik moet er niet aan denken dat ik hem niet meer
tegen me aan kan drukken. Dat ik mijn neus niet meer in zijn buik kan boren
zodat hij gaat lachen. Dat ik niet af en toe een brokje verdriet weg kan
slikken door mijn gezicht even in zijn nekje te begraven.
De vrouw
is vriendelijk. Belooft dat ze er iets moois van gaat maken. De agenda zegt
dat het volgende week zou kunnen. Gelukkig ben ik weer bij de les. Dit moet
ik tegenhouden. Job krijgt volgende week géén corset!
Begin volgende maand gaan we namelijk op reis. We leven er al een jaar
naartoe. Job gaat mee, onze familie ook. We gaan naar een tropisch eiland.
Al maanden zwemmen we op zondag samen met Job. Zodat hij went aan het water
en straks mee kan de zee in. Alles is geregeld. Jurk, pak, hawaii-shirtje
voor Job. Met Job op de arm geven mijn vriend en ik elkaar het jawoord.
Omdat we het gered hebben, omdat we van elkaar houden. Het krijgen van een
gehandicapt kindje heeft ons niet uit elkaar gedreven.
Job in een
corset past niet in dat plaatje. Geen sprake van. Job moet net zo kunnen
genieten als wij. Niet huilend van ellende in een zwetend stuk kunststof of
gips.
„Begin februari dan maar?“, vraagt de baliedame. Dat klinkt
beter. Doen we de spalk en het corset op één dag. Want ja, dat moet ook. Een
spalk om Jobs hakvoetje (de tenen staan wat omhoog, een pees is te kort) te
corrigeren.
Zuchtend stap ik in de auto. Job blijft vandaag thuis,
heb ik besloten. Ik ook. Ik voel me ziek van ellende. Van medelijden en van
machteloosheid. Er gebeuren de gemeenste dingen met mijn zoontje van nog
geen twee jaar oud. Ik sta erbij en ik kijk ernaar.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties












