De koplampen schijnen over de drassige velden langs de weg. Overdag staan hier flamingo’s in het water. ’s Nachts vliegen ze terug naar het vasteland van Venezuela.
Voor het eerst in dagen ben ik alleen. Voorzichtig stuur ik de Toyotapick-up langs de plassen op de weg. Er is net een tropische bui gevallen. Het kan hier spekglad zijn.
Ik voel me leeg. Het is midden in de nacht. De laatste gasten heb ik net uitgezwaaid op het vliegveld. Het lijkt of ik eindelijk wakker word uit een dagenlange roes.
The party’s over.
Tegen het grote stuur van de auto voel ik de nieuwe ring om mijn vinger. Mijn trouwring. Ik kan bijna niet geloven dat het gelukt is: trouwen op Bonaire. Een droom die we al voor Jobs geboorte koesterden.
In het stadje aan de kust is nog leven. Op straat bij een barretje wordt gesnackt. Uit een café klinkt harde jazz. Ik moet denken aan Job. Lieve kleine Job op onze trouwdag. Natuurlijk was hij het die de show stal. Zoals zo vaak. Tijdens het eten in het restaurant aan zee verschenen twee Antillianen met een gitaar. Cadeautje van de collega’s van de krant. Weddingsingers noemden ze zich. Voor ons een complete verrassing. En wie had kunnen weten dat het zo goed uit zou pakken?
Job lag achterover in zijn wagentje naast een van de oma’s. Hij zou zo wel gaan slapen, dachten we. Tot de weddingsingers begonnen te spelen. Job draaide zijn hoofd en was verkocht. De slaap verdween als sneeuw voor de zon. Job zat eerste rang, de rugleuning van de wagen ging snel omhoog.
Nog nooit eerder zat Job zo goed rechtop. Nog nooit eerder was Job zo lang zo geconcentreerd. Nog nooit eerder klapte Job zo goed in zijn handjes.
Aan de lange tafel met uitzicht op zee waren alle ogen gericht op Job. Ogen met tranen. Iedereen wist het meteen. Dit was hét moment. Deze herinnering zou nooit meer verdwijnen. Het was goed, de trouwdag kon niet meer stuk.
Het had weinig gescheeld of we hadden onze mooiste dag (die dan zeker niet de mooiste zou zijn) zonder Job moeten vieren. Drie dagen voor vertrek kreeg hij de waterpokken. Onschuldig, zou je denken. Maar niet als je moet vliegen. De KLM houdt niet van besmettelijke kindertjes in haar vliegtuigen. En dus mogen ze niet mee.
We verbergen het wel, dachten we nog. Tot Job de laatste dag voor vertrek één grote waterpok was geworden. Hier viel niets meer te verbergen. Keihard drong het tot ons door: Job kon niet mee.
Later vertrekken was geen optie: we moesten in ondertrouw. Helemaal niet vertrekken kon ook niet: een deel van mijn familie was al op de Antillen. Job thuis laten leek de enige mogelijkheid. Ik zou hem halverwege de vakantie, vlak voor de trouwdag, op kunnen halen. Binnen 24 uur heen en weer vliegen, het zou moeten kunnen.
Tot onze beste vriendin opstond met het beste plan: ik breng Job naar jullie toe.
Daar werden we even heel stil van.
„Echt?”
„Echt!”
En zo geschiedde. Job was erbij, bij oma op de arm. „Ja, ik wil”, zei mijn vriend. „Jazeker”, zei ik. Wat er verder op het strand gezegd werd, hoorde niemand. Want Job krijste er dwars doorheen. Job houdt niet zo van zon.
„Het heeft zo moeten zijn”, zeiden we later tegen elkaar. Niet alleen Job was bij ons, ook onze beste vriendin stond naast ons, met een glas champagne in de hand.
Het grind kraakt als ik de oprit van onze bungalow oprijd. De andere twee huisjes zijn leeg. Onder één van de ligbedden ligt nog een leeg bierblikje. Aandenken aan onze gezamenlijke bbq’s. Of misschien van de zeiltocht die we met zijn allen maakten. Of gewoon van één van die heerlijke lome middagen.
Onder het afdak op de veranda zit mijn kersverse echtgenoot met een boek op me te wachten. We gaan terug naar bed. Job ligt tevreden te snurken.
Morgen naar het strand. Met z’n drieën.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.














