‘Is die mooie broek voor jou?” De caissière van de H&M buigt zich over de toonbank. Job richt zijn blik omhoog, glimlacht en kijkt snel naar mij.
„Zeg maar ‘ja’ Job”, moedig ik mijn zoon in zijn wandelwagen aan.
Het is te proberen. Soms zegt hij ‘ja’. Als hij ’s ochtends alleen in zijn bedje ligt. Wel honderd keer achter elkaar. En bij vlagen zegt hij ‘ja’ op alles wat we hem vragen. ‘Nee’ kan hij namelijk niet zeggen.
Dit weet de mevrouw achter de kassa natuurlijk allemaal niet. Ze kijkt mij
veelbetekenend aan. Ze bedoelt iets van: leuk hè, die verlegen kleintjes.
Enig.
Jammer dat Job allesbehalve verlegen is.
Bij de Albert Heijn laatst ook zoiets. Job krijste de hele winkel bij
elkaar. Hij kreeg zijn zin niet. Geïrriteerde blikken vanachter de schappen
met pasta en erwtensoep. Kon dat kind zijn kop niet even houden? Ik vroeg
het Job. Hij zei niks terug. Bleef gillen.
Bij de lopende band werd het minder. De vrouw voor ons in de rij keek Job
vrolijk aan. En daar is hij nogal gevoelig voor. Met rode oogjes keek hij
bedremmeld terug. Hij kon haar niet weerstaan. Moest lachen.
Jobs nieuwe vriendin besloot een gesprekje te beginnen bij de kassa. Waarom
Job zo’n verdriet had? Dit was toch wel het moment om in te grijpen. „Hij
kan nog niet praten”, lichtte ik zijn zwijgen toe. De nieuwe vriendin bleef
vrolijk kijken. Ze maakte een opmerking in de trant van: alsof wij zulke
zinnige dingen uitkramen. Tof mens. Ze mocht ook wel mijn vriendin worden.
Pas sinds kort - een paar dagen - realiseer ik me dat van een jongetje van
Jobs leeftijd verwacht wordt dat het praat. Steeds vaker hebben we te maken
met winkel- of straatgesprekjes. „Zo, lekker met mama op stap”, of: „Wil je
een snoepje?”
Job is gelukkig zo beleefd dat hij zijn gesprekspartner altijd aankijkt.
Maar ja, er komt geen zinnig woord uit. De ander weet dan vaak niet zo goed
hoe verder te gaan. Ik sta erbij en vraag me af of ik iets moet uitleggen of
niet. Als het niet per se nodig is, kies ik voor dat laatste. Geen zin in
gesprekjes als ‘waarom niet’ en ‘gaat hij dan wel praten’ en ‘tjongejonge’.
Stiekem vind ik het ook wel grappig. Hoe mensen met hun mond vol tanden
staan als iemand niet zo reageert als wordt verondersteld.
Rond Sinterklaas moest ik even in actie komen. Een overijverige Zwarte Piet
hield Job een handje pepernoten voor. Toen Job het niet aanpakte, duwde Piet
hem een keiharde pepernoot in de mond. Die jute zak moest toch een keer leeg.
„Eh, hij kan niet kauwen”, zei ik. Met mijn wijsvinger peuterde ik de
pepernoot uit Jobs wangzak. Job keek me verbaasd aan. De blik van Zwarte
Piet kon ik niet lezen. Hij was te zwart geschminkt. Is ook wel een beetje
raar natuurlijk, een kindje in een wandelwagen dat geen snoep aanpakt. Job
heeft geen idee wat dat is, snoep. Wij gaan ver in het pureren van hapjes
voor hem, maar lollies en trekdrop in de staafmixer is net te gek. Bij de
bouwmarkt kreeg Job dit weekend een spekje. Ik nam het voor hem aan, trok er
een stukje af en stopte het tussen zijn kiezen. Hij kreeg het aardig weg
zonder blauw aan te lopen of terminaal te hoesten. Het betrof een
uitzondering. Waarom Job niet kauwt, komt door zijn lichamelijke beperking.
Hij gebruikt zijn tong niet om eten tussen zijn kiezen te duwen. En zijn
onder- en boventanden sluiten slecht op elkaar aan. We oefenen al een jaar
of twee. Hopen op succes, ooit. Het niet-praten komt door zijn
verstandelijke beperking. Job loopt flink achter. Hij zegt ‘papa mama opa
oma hebben aap eend hap kiekiekiekie (Tinky Winky) en aai (poes)’. En: ‘ja’.
We gaan ervan uit dat hij zijn vocabulaire op termijn uitbreidt. Maar
eigenlijk begrijpen we hem zo ook wel.
Ik wandel met Job in het park. Een man met hond die ons kruist zegt
vriendelijk ‘hoi’. Als we vijftig meter verder zijn, zegt Job ‘hai’. Helaas
Job, beetje te laat. Moet ik het die meneer uitleggen?
Laat maar. Ik aai Job over zijn (te) lange krullen. „Heel goed Job.”
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties












