'Mijn ouders scheidden in 1939, toen ik drie jaar was.
Omdat ze allebei werkten, ging ik vanuit Rotterdam naar mijn oudtante Nel in Oosterbeek. Ik had het meteen naar mijn zin. Het was zo'n mooi dorp!"Aan het woord is de 75-jarige Rob Gunter, zaterdag tijdens de Gelderse Museumdag in het Airborne Museum in Oosterbeek. Hij gaat terug in de tijd tijdens een speurtocht voor kinderen. "In Rotterdam woonden we op een bovenhuis. Tante Nel had al een pleegkind, Hanneke. Zij was na verloop van tijd echt mijn zusje."
"We hadden twee hondjes, Tobias en Makkertje. Makkertje is vermoord door een NSB'er. Dat was zo verschrikkelijk." De 75-jarige slikt en alle emoties van de toen vierjarige Robbie komen boven. "Móórd was het", fluistert hij.
"Ik was zes en had net leren lezen. Bij park Bato's Wijk stond ineens een bordje 'Voor Joden verboden'. Mijn moeder werkte destijds bij een Joodse firma, de eigenaar was oom Max. "Dus oom Max mag niet in het park wandelen?' vroeg ik tante Nel. Nee, oom Max mag daar niet wandelen."
"In 1942 kwam tante Jet, een Joodse onderduikster. Op een avond vertelde tante Nel dat we wat langer op mochten blijven, want we gingen tante Jet van het station halen. Die kwam een tijdje logeren. 'Maar die kennen we toch helemaal niet?' vroeg ik. Onderweg naar het station vertelde tante Nel wat een onderduikster was. Dat we er met niemand over mochten praten en ook geen vriendjes meer mee naar huis mochten nemen. Dat kregen we met de paplepel ingegoten. Uiteindelijk hadden we vier Joodse onderduiksters in huis."
"Op 17 september 1944 vierden we de verjaardag van tante Nel. We zaten op het balkon, de Joodse tantes binnen. We zagen in de verte parachutisten en zweefvliegtuigen. Later kwamen Engelsen door de straat. We zijn naar de Benedendorpsweg gegaan en Hanneke en ik hebben afrikaantjes geplukt en aan de Engelsen gegeven. Omdat ze oranje waren."
"Na twee dagen moesten we weg, omdat de Engelsen zich terugtrokken. We zijn naar de ouders van Nel gegaan, verderop in Oosterbeek waar het veiliger was. Met z'n tienen en een hond zaten we in een piepkleine kelder. De eerste avond bleek dat we mijn knuffel waren vergeten, een haasje. Dat was paniek en ik was ontroostbaar. Mij werd beloofd dat we 'm de volgende dag zouden halen. Maar dat is natuurlijk niet gebeurd. Het was veel te gevaarlijk."
"Een paar dagen later stonden er ineens moffen voor de deur en schreeuwden dat we naar buiten moesten komen. Ze stonden met hun geweer op ons gericht." Opnieuw vullen zijn ogen zich met tranen. "We moesten Oosterbeek verlaten. De Joodse tantes hebben doodsangsten uitgestaan, maar de Duitsers waren niet op zoek naar onderduikers. We moesten richting Arnhem. We zijn een huis in de Molenstraat ingegaan, want waar moest je heen?" Op 26 september werd Oosterbeek geëvacueerd. "Toen we na de bevrijding, een dag in juni naar ons huis in Oosterbeek mochten, ben ik als een gek naar boven gerend om te kijken of mijn haasje er nog was. Zo diep zat het kennelijk. Maar er was helemaal niets meer."
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.














