Boeren noemden het vroeger een 'armeluiskoe'. De geit stond lange tijd laag
in aanzien. Naar vlees en melk van de geit was nauwelijks vraag. De tijden
zijn echter veranderd. Feta-kaas en andere geitenkaas, boursin van geiten-
en schapenmelk, zijn ingeburgerd geraakt. In de schappen van Albert Heijn en
in de meeste reformzaken is dagverse geitenmelk te koop.
Het aanbod bedient de vraag.
In 1986 werd er slechts drie miljoen
liter geitenmelk in Nederland geproduceerd, nu 190 miljoen. Het aantal
melkgeitenbedrijven is meer dan verdubbeld: van 150 in 1990 naar 360 nu.
Met de groei van de geitenhouderij is ook de geitenstapel verveelvoudigd.
Liefst 110.000 mogen als hobbygeiten worden aangemerkt; op
kinderboerderijen, in dierenparkjes of bij particulieren. Meer dan het
dubbele daarvan wordt beroepsmatig gehouden. Daar zit de groei, soms wel
20.000 per jaar.
Nadat de varkenscrisis het leven had gekost aan
ruim 9,6 miljoen varkens, switchte menig varkensboer naar een
geitenhouderij.
Vooral voor boeren voor wie het koemelkquotum te
duur werd, was het een relatief goedkope manier om het bedrijf uit te
breiden. Ze konden de melkrechten voor koemelk goed verkopen en zetten dat
om in stallen en geiten. Voor de geitenhouderij geldt geen melkquotum,
boeren mogen zoveel melken als zij willen.
Zo heeft de
geitenhouderij zich tot een interessante markt ontwikkeld. Geitenmelk levert
het dubbele op van koeienmelk, de jaarlijkse groei is naar 10 procent
geklommen. De stallen dijen uit. Steeds meer en steeds grotere stallen, soms
met wel met 8.000 geiten. De geitenverblijven zijn anders ingericht dan die
van koeien, waarin de natte mest in een kelder wordt opgevangen en bewaard.
Geitenstallen hebben veelal een potstal. De beesten staan op hun eigen mest
die regelmatig wordt bedekt met stro. In deze laag houdt de Q-koortsbacterie
het lang vol.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.















