Een bijeenkomst van de meisjesafdeling van de Jeugdstorm foto Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie Rechts: NSB-kinderen en hun leidsters in het Nijmeegse tehuis Westerhelling tijdens de oorlogsjaren. foto Regionaal Archief Nijmegen
Ze heeft er nooit over kunnen praten. Ook niet met haar man. Die geneerde zich. Iris, dochter van een NSB’er, vluchtte net voor Dolle Dinsdag (5 september 1944) naar Duitsland en kwam terecht in een ziekenhuis ten oosten van Rostock, waar ze onder steeds moeilijker omstandigheden werkte. Voor één keer wil ze nu op 83-jarige leeftijd haar verhaal toelichten, onder een gefingeerde naam.
Zie ook:
Als heel Nederland in de roes van de bevrijding leeft, verblijft Iris
doodziek in een Frans hospitaal in het Duitse Lüneburg. "Het was
er overvol. Allemaal oorlogsslachtoffers. De meesten uit concentratiekampen"
, herinnert ze zich. Per auto wordt ze samen met enkele dwangarbeiders, een
Jehovagetuige en een communistische Amsterdamse taxichauffeur naar Nederland
vervoerd.
"Toen we de grens passeerden, zette iemand het
Wilhelmus in. We zongen uit volle borst mee."
Iris is dan 19
jaar. Ze brengen haar, het is half juli 1945, naar de ziekenzaal in het
Missiehuis in het Limburgse Steijl waar elke nieuweling aan verhoor wordt
onderworpen. Een maand later acht men haar, ondanks dat ze nog broodmager
is, voldoende aangesterkt om naar de tuchtschool aan de Berg en Dalseweg in
Nijmegen te gaan. "Je sliep er met z'n tweeën in een klein kamertje dat
voorzien was van gaas. Moest je plassen dan ging de kooi even open."
Overdag werkt ze gedwongen op het land. Ze moet aardappels rapen, wat haar
veel moeite kost omdat ze niet goed kan bukken. Dat haar botten zijn
aangetast door een vorm van bot-tbc en dat ze die ziekte al langer onder de
leden heeft, blijkt pas later, als ze voor jaren plat in een gipsbed moet
liggen. Na een bottransplantatie kan ze weer lopen. Kinderen kan ze als
gevolg van de ziekte nooit krijgen.
De nu ruim 83-jarige Iris, een
frisse jonge oogopslag, helder van geest, zegt: "Ik heb nooit kunnen
huilen om de vernederingen in de tuchtschool en hoe we later in ons dorp met
de nek werden aangekeken. Ik ben ook niet verbitterd: ik heb niets verkeerds
gedaan. Maar het wringt nog wel es. Tijdens de meidagen, die mijd ik nog
steeds. Wij zijn nooit bevrijd."
Ze komt uit een betrekkelijk
welvarend hervormd middenstandsgezin. Ze toont een foto van zichzelf en haar
zus op een tuinbank, met vier prachtige poppen tussen hen in. Haar vader
beschrijft ze als zeer gedisciplineerd, streng, rechtvaardig en
koningsgezind. "Hij was een fel tegenstander van sociale misstanden en
zeer idealistisch. Wanneer hij zich precies bij de NSB aansloot, weet ik
niet meer. In ieder geval was hij bij de geboorte van Beatrix in 1938 nog
voorzitter van de Oranjevereniging. Toen hij lid van de NSB werd, kwamen wij
als kinderen automatisch bij de Jeugdstorm terecht. Zo ging dat gewoon."
Iris, die nog veertien moet worden als de oorlog uitbreekt, maakt haar
opleiding kinderverzorging en -opvoeding af en krijgt in 1942 een baan in
Westerhelling, een kinderhuis van de NSB in Nijmegen. "Kinderen uit de
grote steden kwamen er wat aansterken. Wij deden spelletjes met ze,
ontluisden ze en wandelden uren met ze in de buitenlucht." Ze leeft er
tamelijk geïsoleerd en mag eens in de zes weken naar huis.
In
de nazomer van 1944 wordt het onrustig en vlak voor Dolle Dinsdag verlaat
Iris met een klein groepje Westerhelling. "Ze zeiden dat het niet meer
veilig was en we moesten vluchten naar Duitsland waar we ons bij het Rode
Kruis konden melden. Het was een chaos en het drong eigenlijk niet echt tot
me door wat er allemaal gaande was."
Iris staat op en schenkt
thee in. Ze zet een schaal met chocolaatjes neer en pakt een ouderwetse
multomap. Op de eerste bladzijde staat in een keurig handschrift 'Rode
Kruishelpster. Oorlogsjaar 1944-1945'.
"Dit is mijn verhaal"
, zegt ze. "Twintig jaar na de oorlog heb ik het opgeschreven omdat het
ook toen nog steeds onbespreekbaar was." Hier en daar zijn foto's
tussen de tekst geplakt. Een netjes gestreken, wit katoenen
verpleegsterskapje ligt als een weggestopt aandenken tussen de bladzijden.
Iris wijst op een vrouw in verpleegstersuniform. "Dat ben ik. In de
universiteitskliniek van Greifswald ten oosten van Rostock. De meeste
patiënten waren vluchtelingen uit Oost-Pruisen. Er waren ook veel kinderen,
baby's soms nog. Slachtoffers van de grote vluchtelingentrek naar het
Westen. Van sommigen wisten we niet eens de naam. Zo kregen we weer eens een
klein meisje binnen met bevroren teentjes. Ze werd verbonden en bleef bij
ons op zaal. Later kwamen de teentjes met verband in de verbandemmer terecht
en was ze voor haar leven verminkt."
Voedsel en
ziekenhuismateriaal worden steeds schaarser en de toestand chaotischer.
Iris, die Küken wordt genoemd omdat ze de jongste is, slaapt net als haar
collega's in uniform om direct als het luchtalarm afgaat zoveel mogelijk
patiënten naar de schuilkelder te brengen. "Je dacht of voelde
niet, maar deed gewoon." Als de Russen voor de deur staan en Greifswald
een vesting wordt, vlucht het meeste ziekenhuispersoneel. Iris zegt nog de
ontzetting te kunnen voelen van de dag waarop ze een kliniek met slechts
patiënten aantreft. Een oudere zuster stuurt haar weg en zegt dat ze haar
vaderland moet zien te bereiken. Met een klein groepje volgt een barre en
gevaarlijke tocht, te voet, met een colonne militaire vrachtwagens en een
Rode Kruistrein die meerdere keren door een Tiefflieger zoals Iris het
noemt, wordt aangevallen.
Uitgeput meldt het groepje zich
uiteindelijk bij het Amerikaanse Rode Kruis in Flensburg ten noorden van
Kiel. Iris wordt direct aan het werk gezet in de barakken buiten de stad,
waar de mensen met de meest besmettelijke ziekten zoals difterie, tyfus en
roodvonk verblijven. 'Het eerste transport uit Bergen-Belsen zal ik nooit
vergeten. Wat hadden die mensen moeten doormaken. Ze waren werkelijk meer
dood dan levend', noteert ze twintig jaar later in haar map. Iris wordt zelf
doodziek en na enkele weken naar Lüneburg vervoerd om daarvandaan naar
Nederland terug te gaan.
Ze sluit de multomap. Er valt een stilte.
Ze schuift 'm naar me toe: "Neem het maar mee. Voor mij is het
hoofdstuk nu gesloten. Wat moet ik er nog over zeggen. Het is zo gelopen en
misschien moest het wel zo lopen. Ik heb niet het gevoel voor niets te
hebben geleefd."
www.gelderlander.nl /specials/vrouweninoorlogstijd
Enkele
fragmenten van het geschrift van Iris, Rode Kruishelpster Oorlogsjaar
1944-1945, staan op deze website.
|
Cogis, kennisinstituut voor de psychische en sociale gevolgen van oorlog vervolging en geweld, verzamelt door middel van het Open Archief (www.hetopenarchief.nl) jeugdherinneringen van ‘(klein)kinderen van ‘foute’ ouders’. (Klein)kinderen van ouders die tijdens de Tweede Wereldoorlog de kant van de bezetter kozen, maar ook kinderen van een Duitse militair kunnen hun jeugdherinneringen en de gevolgen hiervan voor hun verdere leven opschrijven. Dit kan anoniem. Op het Open Archief kunnen andermans verhalen gelezen worden en kan men eventueel contact met lotgenoten leggen.
In veel gevallen stond de jeugd van deze kinderen in het teken van uitsluiting, vernedering, eenzaamheid en armoede. Een uitgebreid historisch achtergrondverhaal helpt schrijvers hun herinneringen te ordenen en bezoekers de verhalen in een context te plaatsen. Naast historische informatie zijn er op het Open Archief ook schrijftips te vinden en informatie over het doen van onderzoek naar de eigen familiegeschiedenis.
Doelstelling van het Open Archief is om zoveel mogelijk verhalen te verzamelen om zodoende meer aandacht te genereren voor deze groep in maatschappelijk en historisch opzicht, lacunes in de Nederlandse geschiedschrijving op te vullen en bij te dragen aan een meer genuanceerde beeldvorming.
Voor mensen die hun verhaal willen opschrijven maar daar tegenop zien, organiseert Cogis in de maand oktober een schrijfcursus in drie delen. Deelnemers wordt geleerd hun herinneringen te ordenen, onder woorden te brengen en om te gaan met emoties.
Kort geleden is Cogis, in het kader van het programma Erfgoed van de Oorlog van het ministerie van VWS, een interviewproject gestart. Hiervoor is Cogis op zoek naar ‘kinderen van ‘foute’ ouders’ die na de bezetting te maken hebben gekregen met zogenoemde heropvoeding of ‘maatschappelijke heroriëntatie’ in speciale tehuizen voor Jeugdige Politieke Delinquenten of in pleeggezinnen. Ook mensen die beroepshalve te maken hadden met deze jongeren willen wij graag spreken.
Voor meer informatie over het Open Archief, het interviewproject of de schrijfcursus kunt u contact opnemen met mw. Ceciel Huitema MA, Churchilllaan 11, vierde verdieping, 3527 GV Utrecht, telefoon: 030-296 80 00 en email: c.huitema@cogis.nl .
|
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties











