Een bijeenkomst van de meisjesafdeling van de Jeugdstorm foto Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie Rechts: NSB-kinderen en hun leidsters in het Nijmeegse tehuis Westerhelling tijdens de oorlogsjaren. foto Regionaal Archief Nijmegen
De nu 83-jarige Iris (het is een gefingeerde naam omdat ze anoniem wil blijven) vluchtte vlak voor Dolle Dinsdag in september 1944 uit het NSB-kindertehuis Westerhelling in Nijmegen. Met een klein groepje vertrok ze naar Duitsland. Twintig jaar na de oorlog schreef ze haar belevenissen op omdat ze er met niemand over kon praten. ‘Rode Kruishelpster, oorlogsjaar 1944-1945’ is de titel van haar verhaal. Hieronder enkele fragmenten.
Na Dolle Dinsdag op 5 september 1944 vlucht ze met enkele medewerksters van Westerhelling naar Duitsland en meldt zich bij het Rode Kruis.
‘Eindelijk waren we dan Stettin gepasseerd. Nu zouden we dan spoedig op de
plaats van bestemming zijn, de universiteitsstad Greifswald. Sinds 9.00 uur
waren we op reis: Mary, Mia, Tatjana en ik. Nu was het al na zevenen. In een
barakkenkamp in Scheuno hadden we een spoedcursus voor
Rode-Kruis-verpleeghulp gevolgd. Gelukkig met goed gevolg want wie niet aan
de gestelde eisen voldeed, werd tewerkgesteld in de wapenuitrusting. Bij het
overstappen in Berlijn werd het minder vol en vonden we twee zitplaatsen
zodat we om beurten echt konden zitten. Het uitzicht was afgrijselijk en
troosteloos, kilometers ruines aan een stuk! De bombardementen waren de
laatste tijd veelvuldig en zwaar. ’
‘De universiteitskliniek was recht tegenover ons verblijf. De eerste morgen
werd ik meteen de mannenzaal opgestuurd. Het waren overwegend langdurige
operatiepatiënten en de meesten waren vluchtelingen uit Oost-Pruisen. Na
vier maanden werd ik overgeplaatst naar de kinderzaal. De meeste kinderen
lagen in een gipsbed, deze leden aan een botziekte. Het was zo zielig dat ze
nooit van hun sponde konden komen. (nooit had ik kunnen denken dat ikzelf
vijf jaar nadien in zo’n zelfde ding moest liggen voor enkele jaren!) Bij
sommigen zweerden de beensplinters gewoon naar buiten onder hevige pijnen.
Verschillende kinderen waren ook slachtoffer van de grote trek. Hoe
naargeestig was het steeds meer boerenwagens in lange rijen langs het stadje
te zien trekken. Alles trok naar het Westen. De winter was streng, de mensen
slecht gevoed en oververmoeid. Onderaan de karren zag men vaak het armzalige
overschot van hun boerderij: enkele kippen in een kooi. Om beurten liepen
deze mensen voor en achter de wagens. De kinderen waren er het slechtst aan
toe. Omdat ze niet vlug genoeg konden lopen, zaten ze op de wagens met het
trieste gevolg van bevroren ledematen. Baby’s werden soms in paniek
meegegeven, in het volste vertrouwen dat er voor hen werd gezorgd.’
‘De toestand werd steeds chaotischer. Er kwamen nu ook treinen met gewonde
soldaten van het Oost-front. Als we de coupedeuren openmaakten sloeg de
stank van ongewassen mensen en bloed en vuil je tegen. Op brancards droegen
we de soms nog zware mannen weg en enkelen protesteerden daartegen. Maar
broeders waren er niet. Wat er nog aan burgermannen was, zat in de Landstorm
en ook knapen van veertien jaar en misschien nog jonger? Die moesten ook
loopgraven maken en versperringen. Het front naderde steeds. Er verschenen
pamfletten dat soldaten werden opgehangen wegens desertie. Weer later zagen
we zelfs vrouwen met schoppen en allerlei in de weer bij de versperringen.’
‘In april nam de spanning nog meer toe. We leefden nu langzamerhand op een
vulkaan. ’s Nachts werden we wakker doordat alles helder was verlicht. Dan
wisten we ons in groot gevaar want zo’n lichtkogel werd al gauw gevolgd door
bommen. De kliniek werd slechts eenmaal getroffen. We sliepen in uniform om
zonodig naar de kliniek te hollen en zoveel mogelijk patiënten in de
schuilkelder te brengen.’
‘We kwamen zoals gewoonlijk om half zeven in de kliniek maar het was overal
ongewoon stil. Op de afdeling was niemand te zien behalve de patiënten. Toen
bleek dat vrijwel al het personeel in de nacht was gevlucht. Ik stond
perplex. Een oude zuster kwam de gang op en zei op fluistertoon dat wij ook
maar gauw weg moesten gaan. Zie dat je je vaderland bereikt, zei ze. De
Russen zouden nu op twintig kilometer zijn genaderd. Ja, het schieten was
duidelijk te horen. Ik rende geschrokken naar beneden en kwam Mary op de
trap tegen, doodsbleek. Ze zei dat we moesten vluchten. Ik dacht ook aan die
armen die moesten achterblijven en huilde. Mary schudde me bij de arm en
zei: ‘’Hersens gebruiken, Kuken!”
‘We hadden
amper vijf minuten gelopen toen er vanaf een N.S.K.K.-wagen werd geroepen:
‘’Waar willen jullie naar toe.” Ik dacht dat ik droomde. Zolang ik in
Greifswald was, had ik geen Hollander meer gehoord of gezien. Aan mijn
oranje-wit-blauw-embleem op de mouw had men mij herkend. Ik zei dat we naar
het Westen wilden. Het ging in volle vaart naar Stralsund. Er was een
wegcontrole en ze moesten meteen rechtsomkeert maken naar het front. We
liepen nog een paar uur richting Wismar en zagen onderweg onbeschrijflijk
veel ellende.’
‘Die dag zijn we een heel eind meegereden met
een colonne militaire vrachtwagens. Later bleek dat dit eenmanstorpedo’s
waren die bij de Elbe zouden worden ingezet. Bij deze lift moesten we ons
verdienstelijk maken door voorop het spatbord te zitten om zodoende tijdig
te waarschuwen als er vliegtuigen in de lucht waren. ’
‘In de loop van de volgende dag waren er geruchten dat Duitsland had
gecapituleerd en toen men ging informeren bleek het inderdaad zo te zijn.
Over het algemeen was men gewoon blij en opgelucht. De trein reed nu tot in
een groot bos. Daar werd alle munitie verknald.’
‘Mary, Mia en ik kwamen op 6 mei aan in Flensburg. We hebben ons gemeld bij
het Amerikaans Rode Kruis en werden meteen tewerkgesteld in de barakken
buiten de stad. Hier werden alle besmettelijke ziektegevallen naar toe
gebracht. De volgende dag konden we meteen beginnen met het uitmesten en
schrobben van enkele barakken. Het waren gewoon zwijnenstallen. Er hadden
ongeorganiseerde soldaten gehuisd. Een Duitse zuster voerde het commando.
Het was een serpent zoals we nog niet eerder hadden meegemaakt. ’
‘Ik werkte op de roodvonkafdeling. Toen ik keelpijn had en vroeg om een
uitstrijkje bleek dit positief difterie te zijn. De hoofdzuster adviseerde
door te gaan met mijn werk. Er lag op de afdeling een meisje van tien jaar.
Ze had dus roodvonk. Enkele weken later overleed ze echter aan? difterie! Ik
was er kapot van. Annelies kwam daar uit de buurt van Flensburg en haar
moeder kwam elke dag voor het raam tot dat ik haar die ongelukkige dag
vertellen moest dat ze gestorven was. Ze was ontroostbaar en zei aldoor:
‘’Dat durf ik haar vader niet te vertellen, hij zal gek worden.’’ Ik plukte
een boeketje veldbloemen en legde dit in haar gevouwen handjes en kon niets
meer doen?
‘Nu was ik aan het einde van mijn krachten en had
koorts. De hoofdzuster zei: ‘’We hebben geen tijd om ziek te zijn, neem
vanavond een tablet en ga direct naar bed dan bent u morgenvroeg weer
present.’’ Toen vond Mary het welletjes en beraamde een plan. De volgende
dag werd de vuile was opgehaald en daarmee werd ik dan het kamp
uitgesmokkeld. De man van het rijtuigje had instructies meegekregen van Mary
om mij naar het ziekenhuis te brengen en zo werd ik afgeleverd aan het
Diakonessenhuis in Flensburg. Daar deed ik mijn verhaal. Men constateerde
dubbele longontsteking, pleuritus en algehele uitputting. Mijn kamergenote
was een jonge vrouwe en ex-gevangene uit Ravensbruck. Daar had ik nog nooit
van gehoord. Ze was een menselijk wrak! Ze vertelde afschuwelijke verhalen
en aan haar littekens was wel te zien dat ze de waarheid sprak. Haar man,
een arts, zat in de ondergrondse in Polen. Zij werd opgepakt en men had haar
gefolterd om haar tot spreken te brengen maar ze vertelde niets. In het
concentratiekamp kreeg ze een baby maar dit werd haar direct ontnomen en ze
zag de baby nooit meer terug? Men liet haar honger lijden en dan werd ze
weer uit haar cel gehaald. Ze hadden een tafel gedekt met allerlei
heerlijkheden. Daar lieten ze haar naar kijken en zeiden dan dat ze alles
kreeg en vrijuit kon gaan als ze vertelde waar haar man was. Maar ze bleef
zwijgen. Ik hoorde haar zoveel verschrikkelijke dingen vertellen en omdat ik
nog hoge koorts had wist ik soms niet of ik waakte of droomde.’
‘Uiteindelijk kwamen we in Lunenburg in een Frans hospitaal terecht. Van
daaruit werden we naar het Missiehuis in Steijl gebracht. Dit was een kamp
voor politieke gevangenen. Daar werd ieder aan een verhoor onderworpen. Ik
kwam op ziekenzaal. Het was half julli 1945. In de loop van augustus was ik
zover hersteld dat ik naar Nijmegen werd overgebracht. Zodoende kwam ik in
de Tuchtschool. Het was nu weer september en toen ik me realiseerde dat ik
een jaar geleden daar in het kindertehuis Westerhelling werkte, leek dat
jaren geleden. ’
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties











