Dagboekfragmenten

  vrijdag 04 september 2009 | 12:32 | Laatst bijgewerkt op: vrijdag 02 oktober 2009 | 06:20

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
Een bijeenkomst van de meisjesafdeling van de Jeugdstorm foto Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie Rechts: NSB-kinderen en hun leidsters in het Nijmeegse tehuis Westerhelling tijdens de oorlogsjaren. foto Regionaal Archief Nijmegen

Een bijeenkomst van de meisjesafdeling van de Jeugdstorm foto Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie Rechts: NSB-kinderen en hun leidsters in het Nijmeegse tehuis Westerhelling tijdens de oorlogsjaren. foto Regionaal Archief Nijmegen

De nu 83-jarige Iris (het is een gefingeerde naam omdat ze anoniem wil blijven) vluchtte vlak voor Dolle Dinsdag in september 1944 uit het NSB-kindertehuis Westerhelling in Nijmegen. Met een klein groepje vertrok ze naar Duitsland. Twintig jaar na de oorlog schreef ze haar belevenissen op omdat ze er met niemand over kon praten. ‘Rode Kruishelpster, oorlogsjaar 1944-1945’ is de titel van haar verhaal. Hieronder enkele fragmenten.

Na Dolle Dinsdag op 5 september 1944 vlucht ze met enkele medewerksters van Westerhelling naar Duitsland en meldt zich bij het Rode Kruis.


‘Eindelijk waren we dan Stettin gepasseerd. Nu zouden we dan spoedig op de plaats van bestemming zijn, de universiteitsstad Greifswald. Sinds 9.00 uur waren we op reis: Mary, Mia, Tatjana en ik. Nu was het al na zevenen. In een barakkenkamp in Scheuno hadden we een spoedcursus voor Rode-Kruis-verpleeghulp gevolgd. Gelukkig met goed gevolg want wie niet aan de gestelde eisen voldeed, werd tewerkgesteld in de wapenuitrusting. Bij het overstappen in Berlijn werd het minder vol en vonden we twee zitplaatsen zodat we om beurten echt konden zitten. Het uitzicht was afgrijselijk en troosteloos, kilometers ruines aan een stuk! De bombardementen waren de laatste tijd veelvuldig en zwaar. ’


‘De universiteitskliniek was recht tegenover ons verblijf. De eerste morgen werd ik meteen de mannenzaal opgestuurd. Het waren overwegend langdurige operatiepatiënten en de meesten waren vluchtelingen uit Oost-Pruisen. Na vier maanden werd ik overgeplaatst naar de kinderzaal. De meeste kinderen lagen in een gipsbed, deze leden aan een botziekte. Het was zo zielig dat ze nooit van hun sponde konden komen. (nooit had ik kunnen denken dat ikzelf vijf jaar nadien in zo’n zelfde ding moest liggen voor enkele jaren!) Bij sommigen zweerden de beensplinters gewoon naar buiten onder hevige pijnen. Verschillende kinderen waren ook slachtoffer van de grote trek. Hoe naargeestig was het steeds meer boerenwagens in lange rijen langs het stadje te zien trekken. Alles trok naar het Westen. De winter was streng, de mensen slecht gevoed en oververmoeid. Onderaan de karren zag men vaak het armzalige overschot van hun boerderij: enkele kippen in een kooi. Om beurten liepen deze mensen voor en achter de wagens. De kinderen waren er het slechtst aan toe. Omdat ze niet vlug genoeg konden lopen, zaten ze op de wagens met het trieste gevolg van bevroren ledematen. Baby’s werden soms in paniek meegegeven, in het volste vertrouwen dat er voor hen werd gezorgd.’


‘De toestand werd steeds chaotischer. Er kwamen nu ook treinen met gewonde soldaten van het Oost-front. Als we de coupedeuren openmaakten sloeg de stank van ongewassen mensen en bloed en vuil je tegen. Op brancards droegen we de soms nog zware mannen weg en enkelen protesteerden daartegen. Maar broeders waren er niet. Wat er nog aan burgermannen was, zat in de Landstorm en ook knapen van veertien jaar en misschien nog jonger? Die moesten ook loopgraven maken en versperringen. Het front naderde steeds. Er verschenen pamfletten dat soldaten werden opgehangen wegens desertie. Weer later zagen we zelfs vrouwen met schoppen en allerlei in de weer bij de versperringen.’


‘In april nam de spanning nog meer toe. We leefden nu langzamerhand op een vulkaan. ’s Nachts werden we wakker doordat alles helder was verlicht. Dan wisten we ons in groot gevaar want zo’n lichtkogel werd al gauw gevolgd door bommen. De kliniek werd slechts eenmaal getroffen. We sliepen in uniform om zonodig naar de kliniek te hollen en zoveel mogelijk patiënten in de schuilkelder te brengen.’


‘We kwamen zoals gewoonlijk om half zeven in de kliniek maar het was overal ongewoon stil. Op de afdeling was niemand te zien behalve de patiënten. Toen bleek dat vrijwel al het personeel in de nacht was gevlucht. Ik stond perplex. Een oude zuster kwam de gang op en zei op fluistertoon dat wij ook maar gauw weg moesten gaan. Zie dat je je vaderland bereikt, zei ze. De Russen zouden nu op twintig kilometer zijn genaderd. Ja, het schieten was duidelijk te horen. Ik rende geschrokken naar beneden en kwam Mary op de trap tegen, doodsbleek. Ze zei dat we moesten vluchten. Ik dacht ook aan die armen die moesten achterblijven en huilde. Mary schudde me bij de arm en zei: ‘’Hersens gebruiken, Kuken!”

‘We hadden amper vijf minuten gelopen toen er vanaf een N.S.K.K.-wagen werd geroepen: ‘’Waar willen jullie naar toe.” Ik dacht dat ik droomde. Zolang ik in Greifswald was, had ik geen Hollander meer gehoord of gezien. Aan mijn oranje-wit-blauw-embleem op de mouw had men mij herkend. Ik zei dat we naar het Westen wilden. Het ging in volle vaart naar Stralsund. Er was een wegcontrole en ze moesten meteen rechtsomkeert maken naar het front. We liepen nog een paar uur richting Wismar en zagen onderweg onbeschrijflijk veel ellende.’

‘Die dag zijn we een heel eind meegereden met een colonne militaire vrachtwagens. Later bleek dat dit eenmanstorpedo’s waren die bij de Elbe zouden worden ingezet. Bij deze lift moesten we ons verdienstelijk maken door voorop het spatbord te zitten om zodoende tijdig te waarschuwen als er vliegtuigen in de lucht waren. ’


‘In de loop van de volgende dag waren er geruchten dat Duitsland had gecapituleerd en toen men ging informeren bleek het inderdaad zo te zijn. Over het algemeen was men gewoon blij en opgelucht. De trein reed nu tot in een groot bos. Daar werd alle munitie verknald.’


‘Mary, Mia en ik kwamen op 6 mei aan in Flensburg. We hebben ons gemeld bij het Amerikaans Rode Kruis en werden meteen tewerkgesteld in de barakken buiten de stad. Hier werden alle besmettelijke ziektegevallen naar toe gebracht. De volgende dag konden we meteen beginnen met het uitmesten en schrobben van enkele barakken. Het waren gewoon zwijnenstallen. Er hadden ongeorganiseerde soldaten gehuisd. Een Duitse zuster voerde het commando. Het was een serpent zoals we nog niet eerder hadden meegemaakt. ’


‘Ik werkte op de roodvonkafdeling. Toen ik keelpijn had en vroeg om een uitstrijkje bleek dit positief difterie te zijn. De hoofdzuster adviseerde door te gaan met mijn werk. Er lag op de afdeling een meisje van tien jaar. Ze had dus roodvonk. Enkele weken later overleed ze echter aan? difterie! Ik was er kapot van. Annelies kwam daar uit de buurt van Flensburg en haar moeder kwam elke dag voor het raam tot dat ik haar die ongelukkige dag vertellen moest dat ze gestorven was. Ze was ontroostbaar en zei aldoor: ‘’Dat durf ik haar vader niet te vertellen, hij zal gek worden.’’ Ik plukte een boeketje veldbloemen en legde dit in haar gevouwen handjes en kon niets meer doen?

‘Nu was ik aan het einde van mijn krachten en had koorts. De hoofdzuster zei: ‘’We hebben geen tijd om ziek te zijn, neem vanavond een tablet en ga direct naar bed dan bent u morgenvroeg weer present.’’ Toen vond Mary het welletjes en beraamde een plan. De volgende dag werd de vuile was opgehaald en daarmee werd ik dan het kamp uitgesmokkeld. De man van het rijtuigje had instructies meegekregen van Mary om mij naar het ziekenhuis te brengen en zo werd ik afgeleverd aan het Diakonessenhuis in Flensburg. Daar deed ik mijn verhaal. Men constateerde dubbele longontsteking, pleuritus en algehele uitputting. Mijn kamergenote was een jonge vrouwe en ex-gevangene uit Ravensbruck. Daar had ik nog nooit van gehoord. Ze was een menselijk wrak! Ze vertelde afschuwelijke verhalen en aan haar littekens was wel te zien dat ze de waarheid sprak. Haar man, een arts, zat in de ondergrondse in Polen. Zij werd opgepakt en men had haar gefolterd om haar tot spreken te brengen maar ze vertelde niets. In het concentratiekamp kreeg ze een baby maar dit werd haar direct ontnomen en ze zag de baby nooit meer terug? Men liet haar honger lijden en dan werd ze weer uit haar cel gehaald. Ze hadden een tafel gedekt met allerlei heerlijkheden. Daar lieten ze haar naar kijken en zeiden dan dat ze alles kreeg en vrijuit kon gaan als ze vertelde waar haar man was. Maar ze bleef zwijgen. Ik hoorde haar zoveel verschrikkelijke dingen vertellen en omdat ik nog hoge koorts had wist ik soms niet of ik waakte of droomde.’


‘Uiteindelijk kwamen we in Lunenburg in een Frans hospitaal terecht. Van daaruit werden we naar het Missiehuis in Steijl gebracht. Dit was een kamp voor politieke gevangenen. Daar werd ieder aan een verhoor onderworpen. Ik kwam op ziekenzaal. Het was half julli 1945. In de loop van augustus was ik zover hersteld dat ik naar Nijmegen werd overgebracht. Zodoende kwam ik in de Tuchtschool. Het was nu weer september en toen ik me realiseerde dat ik een jaar geleden daar in het kindertehuis Westerhelling werkte, leek dat jaren geleden. ’

© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.

 
Reacties
laatste eerstSorteer reacties
Getrouwd met Truus Wijers van Groesbeek (klein Amerika) wil ik vragen of er fotos zyn van uit 1940 en van 17 September of haar omgeving. Hun boerdery was verbrand op deze luchtlanding en werd de familie naar veilige omgeving gestuurd. Truus was naar Amsterdam verzonden waar ik haar in 1950 ontmoete. Als er enige fotos zyn of een beschryving van de luchtlanding dan zouden wy graag iets weten. Onze dank vanuit Australia.
gerard ehlert - 02-10-2009 | 06:20

Reageren

blij blozend boos cool verrast droevig egaal gemeen huilend vertwijfeld knipoog lachen rollendeogen tongeruit wijdogig

Reacties van bezoekers op artikelen op deze site zijn meer dan welkom.

Echter: reacties die kwetsend, onnodig grof of beledigend zijn worden niet

geplaatst.

Klik voor de uitgebreide versie van de spelregels



Websites met informatie over de Tweede Wereldoorlog, de operatie Market Garden en vrouwen in oorlogstijd:

Regionaal Archief Nijmegen
WO II Online
Beeldbank WO2
NIOD
Market Garden.com
Bevrijdingsmuseum Groesbeek
Oorlogsmuseum Overloon
Oorlogsdoden Nijmegen
Airbornemuseum
Kamp Westerbork
Literatuurlijst De Feeks
Museum Bronbeek
Omroep Gelderland
Verzetsmuseum Amsterdam
Vrouwen archief
Onderduikmuseum Aalten




De foto's op deze website zijn afkomstig uit het Regionaal Archief Nijmegen, het Gelders archief, het Nationaal Bevrijdingsmuseum in Groesbeek en diverse gemeentelijke archieven.