Geert Derksen, een Hollandse jongen uit Lobith, is met een dertigtal andere
jongens naar een kamp in het Noord-Duitse Flintbeck overgebracht. Om te
werken op de werf in het nabijgelegen Kiel. Het is 1944, de oorlog is nog in
volle gang. Emmy Baldszun en haar ouders hebben Kiel juist verlaten vanwege
de vele bombardementen. In Flintbeck vinden Emmy, haar broers en haar vader
en moeder een veilig heenkomen. In een oude boerderij, pal naast de barakken
van het kamp.
Elk dag lopen de Hollandse jongens over een paadje langs hun huis naar het
station, naar de trein die hen naar Kiel brengt. Ze zijn geen gevangenen, de
jongens kunnen vrij rondlopen in het dorp. "Omdat mijn vader niet zo
jong meer was, en een broer van mij in militaire dienst, vroeg hij die
Hollanders om te helpen met kersen, pruimen en appels plukken", vertelt
Emmy Derksen-Baldszun.
Later schuiven de Hollandse jongens ook aan
tafel van de familie Baldszun. "Moeder kookte voor hen." Geert en
Emmy hebben, zoals ze dat noemen, een bratkartoffel-verhältnis, een gebakken
piepers-verhouding.
Ook al is het oorlog, van haat tussen
Nederlanders en Duitsers is geen sprake. Het was, zegt Emmy, allemaal heel
natuurlijk, vanzelfsprekend. "De jongens spraken de taal. Ze hadden
geen hekel aan Duitsers. Ze waren er mee opgegroeid, Duitsers waren in
Nederland hun buren."
Emmy en haar ouders – 'ruimdenkende
mensen' – moeten bovendien niets hebben van het nazi-regime van Hitler.
De jonge Emmy heeft meteen al een oogje op Geert – 'een leuke, lieve man' –
maar hij heeft aanvankelijk geen belangstelling, herinnert Emmy zich 65 jaar
later in haar flat in Zevenaar waar ze tegenwoordig woont.
Een
gelukkige tijd, toen nog. Geert komt om te eten, om fruit van de bomen te
plukken. Hij is beschaafd, altijd attent, nooit anti-Duits. De jongelui gaan
zwemmen in het meertje vlakbij, naar het dorpskroegje waar Geert piano
speelt. Het meisje met het blauwe hoedje, dat is het eerste liedje dat hij
speelt.
Ze glimlacht en even is de 86-jarige Emmy weer dat meisje
van toen.
Geert krijgt steeds meer belangstelling voor dat
jongensachtige, mooie meisje.
Ze zijn jong, ze zijn verliefd.
Willen alleen nog bij elkaar zijn. Het verliefde stel laat zich niet
weerhouden door regels noch moraal. In liefde en oorlog is alles
veroorloofd. Daarom bindt Emmy een draadje aan de teen van Geert en rolt het
stevige garen uit tot in haar slaapkamer. Als haar ouders in diepe slaap
zijn, geeft Emmy een rukje aan het koord, ten teken dat de kust veilig is en
Geert bij haar kan komen. "Als je verliefd bent, doe je alles."
Een liefde met gevolgen. Emmy raakt zwanger. Maar hoe moet ze dat Geert
vertellen? Op een dag weet ze het: ze wacht met een breiwerk haar vriend op
bij het tuinhek. 'Wat ben jij aan het doen?', wil Geert weten. 'Een
babysokje breien', antwoordt ze. 'Waar heb je dat voor nodig?', vraagt hij.
'Voor mezelf, ik ben zwanger'.
Een kind! Daar heeft ook Geert niet
op gerekend. Een paar dagen later is hij vertrokken, terug naar Nederland.
'Dat hadden we niet van hem gedacht', reageren haar ouders als Emmy haar
zwangerschap voor hen niet langer geheim wil houden.
Maar Geert
komt terug. Met een grote bruine koffer met borstrokjes, met luiers, met
veiligheidsspelden – alles voor de baby. Emmy vergeet nooit meer hoe Geert
die koffer via de opkamer, toen haar slaapkamer, naar binnen werkt. En
prompt daarna ziet ze zijn vrolijke, blozende gezicht.
Geert is
terug naar Lobith gegaan, vertelt hij haar, naar zijn moeder om om raad te
vragen. 'Als het kind van jou is, dan moet je met haar trouwen'.
En
dat doen ze, in de zomer van 1944. In het kantoortje van een schoenenwinkel
in Flintbeck. Emmy, zes maanden zwanger, in een zwarte jurk met noppen die
haar moeder heeft gemaakt, Geert in een colbertjasje. Zilveren ringen hebben
ze, waar die vandaan komen, Emmy weet het nog steeds niet. Van haar vader,
vermoedt ze.
Het is even zoeken in de kasten van haar flat, maar
al snel diept Emmy De Foto op, die van hun trouwdag op 29 augustus 1944. Een
knap, jong stel. Blij met elkaar.
Emmy en Geert gaan bij haar
ouders inwonen, een ouderwetse boerderij. Het opkamertje is hun domein. Maar
vaker nog de schuilkelder. Bombardementen. "Laagvliegers, die schoten
op alles wat bewoog. Een akelige, angstige tijd."
Een tijd
waarin er amper levensmiddelen zijn. De moeder van Emmy, naaister van haar
vak, gaat bij boeren langs en maakt kleding in ruil voor eten. Voor haar
zwangere dochter tovert ze een jas uit een oude wollen deken. "Je had
niks, er was niks."
In een bunker in Kiel bevalt Emmy op 10
oktober 1944 van haar zoon. Geert-Rudolf noemen ze hem, naar haar man Geert
én naar haar broer Rudolf die in de oorlog is gesneuveld.
Vanuit Kiel gaat Emmy met haar pasgeboren kind in een mand, naar Grömitz,
een voormalig kuuroord waar jonge moeders heen worden gebracht. Hier, te
midden van andere jonge Duitse vrouwen in haar eigen land, is Emmy de paria.
Omdat ze getrouwd is met een Hollander. Dat laten ze haar merken. Haar zoon
krijgt ze bijvoorbeeld niet op tijd om aan de borst te leggen. Hij
vermagert. Zijn ruggetje gaat helemaal kapot. "Fanatieke Duitsers kwam
je tegen", zegt Emmy.
Met de Amerikanen vertrekt het jonge
gezin na de oorlog naar Nederland. Emmy en Geert komen in Epe terecht, bij
de ouders van Geert die het kapot geschoten Lobith hebben verlaten.
Lieve schoonouders, lieve schoonzussen, lieve zwagers. "Zij hebben geen
hekel aan Duitsers. Zij zijn, net als Geert, aan de grens met hen
opgegroeid. Duitsers waren hun buren." Dominee Ter Braak, ze zal die
naam nooit vergeten, zorgt dat ze een woning krijgen in Epe.
Het
is dan 1946, de oorlog is nog vers. Een Duitse echtgenote, dat is niet het
ideaalbeeld in het naoorlogse Nederland.
"Mijn man heeft
altijd voor me moeten knokken. 'Kun je geen Hollandse vriendin krijgen',
zeiden ze tegen hem."
Haar dialect is haar geluk. Als Emmy
plat-Duits spreekt, lijkt het erg op het Nederlands. Een pond suiker, een
pak melk, ze kan zich redden, ze verstaat de taal. Natuurlijk hoort iedereen
meteen dat Emmy 'niet van hier is'. Emmy is een rotmof.
De
21-jarige Emmy heeft heimwee, heimwee naar huis, naar haar ouders. Kijk,
wijst ze op de trouwfoto, dat kettinkje dat ze om heeft, heeft ze van haar
oudste broer gekregen, van Rudolf die is gesneuveld op Sicilië. Maar met wie
kan ze dat leed delen? Tegen wie kan de geboren Duitse vertellen over haar
broer die óók is omgekomen in de oorlog?
Gelukkige jaren
kent Emmy als ze naar Aerdt verhuizen. Het dorp waar haar kinderen
opgroeien, twee jongens en twee meisjes.
Spijt kennen ze niet.
Geert zou het altijd weer zo doen, zegt hij vaak tegen haar. En zij ook,
jazeker. De moeilijke omstandigheden waarin ze elkaar hebben gevonden,
smeedt een onverwoestbare band. Gebakken piepers, met vlees en groente,
blijft al die jaren de lievelingskost van haar man.
'Vertel nog
eens moeder, vertel nog 'ns over toen, hoe het was', vragen haar kinderen
vaak.Maar eigenlijk wil Emmy, een nuchtere vrouw, dat niet. Het is allemaal
zo lang geleden. 86 is ze nu. Ze heeft vier kinderen, negen kleinkinderen,
negen achterkleinkinderen. Ze zit op volksdansen, ze tekent, ze rijdt nog
auto, naar haar oudste zoon in Den Helder. "Ik ben blij dat ik het
allemaal beleven mag." Haar lieve man is overleden, hij is 62 jaar
geworden.
Later zegt Emmy: "Mensen die écht iets hebben
meegemaakt in de oorlog, oordelen niet zo snel als mensen die weinig hebben
meegemaakt.''
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.















