Nina Vermeulen-Sokolowa woont al een leven lang in Nijmegen. "Ik ben altijd half Hollands, half Russisch gebleven". Foto: Mariska Hofman
Nina en Jo tijdens een geheime ontmoeting buiten het kamp op een zondag in 1943.
Russische iconen van Jezus en Maria sieren de huiskamer in de Nijmeegse wijk Hatert. En foto's, veel foto's van de kinderen en (achter)kleinkinderen. Die helpen Nina Vermeulen-Soklokowa in haar gevecht tegen de altijd aanwezige zenuwpijnen en het oorlogstrauma, waardoor ze nooit goed slaapt. In redelijk Nederlands met een Russisch accent dat altijd is gebleven, vertelt ze over de tijd dat ze te werk werd gesteld in een fabriek van Krupp in Rheinhausen, nabij Duisburg.
Zie ook:
"We moesten om half vijf opstaan en dan in de rij voor
koffiesurrogaat. Geen suiker of melk, niks. Dan een uur lopen naar de
fabriek, waar we ovens moesten bouwen voor de staalproductie. We sjouwden
zand en zware stenen. 's Middags kregen we een lepel soep met rode kool. We
werkten tot zes uur en liepen een uur terug naar het kamp, waar we weer wat
soep kregen en een klein stukje brood. Met dat brood kon je iemand een gat
in z'n hoofd slaan, zo hard was het. Eén keer per maand kregen we 25 gram
boter en 25 gram suiker?"
Haar stem stokt en praten lukt even niet. Het is niet moeilijk om te
begrijpen dat ze naar allerlei manieren zocht om aan het kamp te ontsnappen.
Opgegroeid in Marosow, een dorpje 800 kilometer ten zuiden van Moskou, helpt
Nina als jong meisje op de boerderij van haar vader. Als de oorlog
uitbreekt, wordt ze als eerste van de familie opgepakt om in Duitsland te
werk te worden gesteld. In Polen en de Sovjet-Unie nemen de Duitsers alle
geschikte werkkrachten mee om de oorlogsindustrie draaiende te houden. Nina
is dan nog geen achttien.
"Elke dag vielen meisjes neer van de honger. Ik heb eraan gedacht om mijn arm in een machine te steken. Zonder arm zouden ze me misschien terugsturen naar Rusland. Een andere keer heb ik zoutzuur gestolen. Een goede Duitser die op kantoor werkte, zag het en we kregen de grootste ruzie. 'Jezelf van kant maken, ben je nou helemaal gek?' zei hij. 'Je moet verder leven!' Ach, dat was een schat van een man. Ik kreeg ook kleren van hem en zijn vrouw. Toen heb ik het niet gedaan."
In het kamp zitten ook mannen uit Nederland die voor de Arbeitseinsatz zijn
geronseld. Op het praten met hen staan hoge straffen, maar toch zijn er
manieren om elkaar te ontmoeten. "Jo Vermeulen werkte in de fabriek. 's
Winters kon je bij het vuur even met elkaar praten. Niet veel, want ik kende
maar een paar woordjes Duits en hij ook, maar toch. Op een zondagmiddag ben
ik door het prikkeldraad gekropen om hem op te zoeken. Toen we elkaar
gevonden hadden, begonnen ze te bombarderen en ben ik bij hem in de barak
gekropen. Hij hield mij vast en gaf mij een kusje. Eerst dacht ik: doe weg,
want wie weet wat hij met me wilde uitspoken? Ik had mijn moeder verloren
toen ik vijf was en was al lang van huis, dus ik wist niks van die dingen.
Maar hij was hartstikke lief en toen hebben we elkaar vaker ontmoet."
Hoe gevaarlijk dat is, blijkt als de kampcommandant ziet dat Jo en Nina
elkaar kennen. Bij een ongeval in de fabriek raakt Jo bijna zijn vingers
kwijt en mag hij terug naar Nederland. Speciaal voor Nina komt hij terug. "
Hij had een paar appels en peren uit Holland bij zich en gaf die aan mij. De
commandant zag dat en ik moest bij hem komen. Hij gaf me een paar klappen in
mijn gezicht en zei: 'Jij gaat met een Hollandse kaaskop om!' Voor straf
moest ik drie dagen in een schuurtje zitten zonder eten. 's Nachts werkte ik
en overdag zat ik daar, met een groot slot op de deur. Ondertussen gingen de
geallieerden door met bombarderen, maar daar trokken de Duitsers zich niks
van aan. Ik trok me de haren uit het hoofd en heb geschreeuwd van angst."
Dat de vrees voor bommen niet onterecht is, blijkt in juli 1944. Een
voltreffer raakt het kamp en veel gevangenen overleven het niet. Nina bij
toeval wel. "In mijn barak verloren 57 meisjes het leven. Ik overleefde
omdat ik helemaal aan het einde van de barak zat. Daar verschoven door de
luchtdruk wat planken en zo kon ik wegkomen. Overal gegil, vreselijk. Eén
meisje zat onder de fosfor en stond te schreeuwen en te schreeuwen,
verschrikkelijk! Toen het later begon te regenen, gleed ze ook nog uit en
niemand kon haar oprapen, want dan kwam je zelf onder de fosfor te zitten.
Ik had geen kleren meer; die waren gewoon verbrand. Een meisje gaf me een
jas, zodat ik tenminste iets aan had. Het gouden kruisje dat ik van mijn
vader had gekregen, ben ik toen kwijtgeraakt. Alle overlevenden zijn daarna
geëvacueerd."
In de ontstane chaos weet Nina te ontsnappen naar een groep mannen door een
deken over haar hoofd te trekken. Samen met Jo, zijn broer en een Belgische
gevangene ontvlucht ze in maart 1945 ook een tweede kamp, in Dinslaken, niet
ver van Duisburg. Ze lopen twintig kilometer naar Bottrop. "We wisten
niet waar we heen moesten, maar een Duitse brandweerman verwees ons naar
twee houten bedden in een afgebrande drogisterij. Daar hebben we acht weken
ondergedoken gezeten, tot 5 mei. We konden in leven blijven door langs de
deuren te gaan en te bedelen om een stukje brood of een aardappel."
Ze maken de bevrijding mee in Bottrop en horen daar dat er veel Russinnen
zijn die trouwen met Fransen en Belgen. "Ik wilde dat ook met Jo, want
anders hadden ze me teruggestuurd naar Rusland en ik had geen idee of mijn
familie nog leefde of niet. We zijn er 's middags in het stadhuis getrouwd.
Als bruidsboeket kreeg ik hortensia's die buiten in bloei stonden, geplukt
door de broer van Jo. We hebben een feest gehouden van geld dat we opgehaald
hadden, met biscuitjes, frisdrank en brood. Meer was er nog niet, maar dat
was al geweldig!"
Eind mei vertrekken Jo en Nina Vermeulen naar Nijmegen, waar ze twee
dochters krijgen. In 1961 gaat Nina in haar eentje voor het eerst terug naar
Rusland om haar zus en een broer te ontmoeten, die de oorlog overleefden.
Drie jaar later overlijdt Jo op 42-jarige leeftijd aan een hartaanval, vlak
voordat het hele gezin zes weken naar Rusland zou gaan. Nina is Nederland
trouw gebleven vanwege haar kinderen en omdat ze er al zo lang woont. Toch
mist ze Rusland als ze in Nederland is en omgekeerd. "Ik ben altijd
half Hollands, half Russisch gebleven."
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.






Sorteer reacties











