Leny Weijel, met een plaatje hoe ze er vroeger voor haar trouwen uitzag als de verpleegster Leny Hochstenbach, nog voor ze in Koningsheide kwam. foto Mariska Hofman/De Gelderlander
Een rij gewonden voor de operatiekamer. Een chirurg die selecteert wie hij nog kan redden en wie niet. Het zijn onuitwisbare herinneringen voor Jo Seckel. Als verpleegster in opleiding werkt ze in mei 1940 in het Tielse ziekenhuis Bethesda, als Tiel zwaar wordt getroffen bij de inval van het Duitse leger.
Zie ook:
Het levert gruwelijke beelden op van gewonden en afgerukte ledematen. "
Als je jong bent, til je daar niet zo aan. Je doet gewoon je werk",
zegt de nu 90-jarige.
Als de bezetting eenmaal een feit is, komt
het dagelijks leven weer op gang. Af en toe komen de Duitsers om bedden te
vorderen. "Dan moesten we weer halsoverkop in de bedden gaan liggen om
te doen of we patiënt waren", lacht Jo.
Ondanks de oorlog
heeft Jo het erg naar haar zin. Gek maar waar: "Ik heb altijd gezegd:
het is de leukste tijd van mijn leven geweest." De kort tevoren
verweesde Jo uit Almelo krijgt in het totaal vreemde Tiel een nieuwe
vriendenkring en leert er haar toekomstige man kennen. De club op de
verpleegstersflat is hecht. "We deden alles samen."
Dan
nadert september 1944. De sfeer wordt grimmiger, zeker nadat operatie Market
Garden is begonnen. Op het ziekenhuis heerst spanning: wanneer zal het einde
van de oorlog daar zijn? 'Goede berichten, de oorlog zal zo wel afgelopen
zijn', schrijft Jo in september in haar dagboek, dat ze van september 1944
tot juli 1945 zal bijhouden. Hoe anders is de werkelijkheid. 'In plaats van
bevrijden hebben ze de lieflijke gewoonte om zo nu en dan eens een flinke
hoeveelheid granaten op Tiel af te schieten', schrijft ze cynisch over de
Engelsen. Dat betekent dat de patiënten snel op veilige plekken moeten
worden gebracht – weg van de bovenverdieping, weg van de ramen. De ergste
zieken gaan naar de kelder, waar lijders aan difterie, typhus en roodvonk
broederlijk naast elkaar en naast de zusters liggen. De slaapplek van de
zusters wordt een schuilkelder in de tuin van het zusterhuis, die ze
bereiken via een speciaal geprepareerde loopgraaf.
Lang hebben ze
het gevreesd en hoorden ze de geruchten, maar midden januari 1945 komt
definitief het bevel dat Bethesda moet evacueren. "Tiel moest leeg. De
patiënten hebben we op open boerenkarren gelegd met zoveel mogelijk dekens
en zo gingen we naar Mariënwaard in Beesd." Het is een omslachtige
operatie. Ze komen 's nachts in de kou aan. De kamers worden zo goed en zo
kwaad als dat gaat geschikt gemaakt voor de patiënten, de verpleegkundigen
slapen op zolder. Veel veiliger is het overigens niet in Beesd, want ook
hier moeten ze regelmatig intern verhuizen. Ook de hygiëne is niet optimaal.
Vaak worden de bebloede lakens nog maar eens omgedraaid – het duurt te lang
voordat ze ze schoon terug hebben. En koud is het ook: als je even met een
patiënt bezig bent, gaan de open haarden zo uit.
De maanden
glijden voorbij. En dan – eindelijk – mei: vrede. De Canadezen worden met
open armen ontvangen en de verpleegkundigen mogen een tochtje maken in een
vliegtuig boven het verbrande Tiel. Jo doet eindelijk examen, trouwt en zal
ook haar kinderen meegeven dat ze altijd hun diploma moeten halen.
Ook Leny Weijel, geboren Hochstenbach, is in de oorlog niet zo bezig met de
spanning. "Als je erover nadenkt, ga je bibberen, maar wij waren bezig
met de zaken van de dag", zegt de inmiddels 94-jarige, die breekbaar
maar levendig oogt. Sanatorium Koningsheide in Schaarsbergen is nog
gloednieuw als ze er in 1938 gaat werken. De particuliere psychiatrische
instelling is gevestigd in een mooi pand en alles is tot in de puntjes
verzorgd. De patiënten van Koningsheide zijn vaak van goeden huize, van
predikant tot regeringsleider.
Als in 1940 de oorlog uitbreekt,
wordt het sanatorium uit het pand gezet: de Duitsers hebben het nodig. "
We zijn toen naar Huis Presikhaaf in Arnhem gegaan", weet Leny nog. Het
is ondanks de bezetting een relatief rustige tijd. Wel een extra spannende
voor Leny, want haar verloofde, van joodse afkomst, moet onderduiken.
In het sanatorium verblijven joodse patiënten en zo af en toe ook 'cliënten'
van wie ook de verpleegkundigen de echte naam niet kennen. Op een dag komen
de Duitsers langs: of ze maar even de joodse patiënten willen aanwijzen, dan
kunnen ze die meenemen. Als dat wordt geweigerd, willen ze een van de artsen
meenemen. "Ik wilde dat niet en zei: neem mij maar mee. We kregen er
bijna ruzie om. Uiteindelijk vertrekken de Duitsers weer."
Met
de luchtlandingen is Arnhem één grote chaos en iedereen uit het huis,
inclusief de verloofde, vertrekt richting Huis Presikhaaf. Ze blijven in de
kelder en zien 's avonds een Duitser bij de lantaarnpaal staan. Ze komen
naar buiten en vragen wat hij van de situatie denkt. "Der Tommy kommt
nicht über den Rhein", zegt hij. Zelf in een euforische stemming
weten ze niet hoe waar zijn woorden zijn.
De oorlog is inderdaad
nog niet voorbij en in de chaotische tijden die volgen, vertrekken Leny,
inmiddels hoofdverpleegster, en haar verloofde. In Wilp komen ze op een
onderduikadres, waar het badgoed Leny verrassend bekend voorkomt. "Die
had iemand meegenomen vanaf Koningsheide." Voor hun trouwfeest
scharrelen de twee eten bij elkaar – kippen, boter, eieren. Het wordt
gevierd met de familie en vrienden die er nog zijn. Niet rijk, wel gelukkig.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.














