foto Beeldbank WO2-Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.
Sinterklaas in de schuilkelder onder de school in de Nijmeegse Dominicanenstraat. foto Regionaal Archief Nijmegen
Voor de meeste vrouwen was het tijdens de hongerwinter een enorme strijd om
elke dag eten op tafel te zetten – een strijd die ook niet elke dag werd
gewonnen. Dan leed een gezin honger, erge honger. Van feestvieren in de
decembermaand was zodoende amper sprake.
Zie ook:
"Maar mijn ouders deden erg hun best om toch iets aardigs te bedenken:
een klein cadeautje, met een gedichtje", zegt mevrouw Lydia
Dahan-Dokkum. Zij was 4 jaar toen de oorlog begon. Haar vader werkte bij de
AKU in Arnhem en toen de stad moest evacueren, trokken ze naar Beekbergen.
Ver weg verstopt in de bossen, bijna ondergedoken eigenlijk, want haar
moeder was joods. De angst voor ontdekking tekende haar jeugd.
"
Toch vierden we in de oorlog ook kerst, en zelfs Chanoeka, het Joodse feest
van het licht. Dan staken we acht avonden achter elkaar de kaarsjes aan van
de chanoekia, de negenarmige kandelaar. Dat moest wel een beetje in het
verborgene gebeuren. In de Joodse traditie hoort een chanoekia voor het raam
te staan, maar dat was in oorlogstijd natuurlijk niet aan de orde."
Dat feestdagen in die jaren heel anders waren dan nu, had niet alleen met de
oorlog te maken. Omdat de algehele welvaart veel geringer was dan nu, was
het sowieso al een hele prestatie als Sinterklaas een cadeautje kwam
brengen.
Feesten hadden destijds ook een andere inhoud. Kerstmis
was een kerkelijk feest en Sinterklaas was vooral een kinderfeest, met
kleine cadeautjes.
Mevrouw E. Reijers-de Vos was 16 jaar in 1944,
en woonde met haar ouders en haar vijf broers en zussen in het
Willemskwartier in Nijmegen. Daar had haar vader een tabakszaak. Al snel na
het uitbreken van de oorlog liep zijn klandizie terug, omdat mensen geen
geld meer hadden voor sigaren en sigaretten. Ook de aanvoer van tabak was
gestopt. Zodoende moest haar vader er een baantje bij zoeken. Dat werd
inpakker bij de schoenenfabriek van Swift.
"Ik kan me niet zo
herinneren dat het feestelijk was, Sinterklaas en Kerstmis in die
oorlogsjaren. Je had zo weinig, daar moest je het maar mee doen. Ik was blij
als ik nieuwe kousen kreeg, in een mooi papiertje verpakt."
Nuttige cadeautjes dus: handschoenen. Een muts, nieuw, en niet een
tweedehandsje van een oudere broer of zus. Speelgoed was een zeldzaamheid. "
Maar ik had gelukkig een erg handige moeder", zegt mevrouw Reijers. "
Ze bewaarde ook veel: restjes wol en touw, oude lappen, doosjes; ze gooide
nooit iets weg. Daarvan maakte ze matrozenpoppetjes van stof en borduursel,
en mijn zussen en ik hielpen haar."
Die poppetjes brachten ze
naar klanten, als een soort relatiegeschenk voor hun kinderen. "Ik
herinner me dat ik in sinterklaastijd samen met mijn ene zus naar het
Javaplein ging, naar een klant van mijn vader, met zo'n popje, mooi
ingepakt. We legden het op de stoep voor de deur, belden aan en renden weg.
Vanuit de bosjes keken we hoe er werd opengedaan."
Kerstmis
was zodoende geen weeldefeest, zoals nu, maar vooral een kerkelijk feest.
Mevrouw Reijers: "We gingen naar de nachtmis, en de mensen namen zelf
kaarsen mee. En prachtig zingen natuurlijk! Als we thuis kwamen, was er iets
warms te drinken en iets lekkers. Ach, we waren zo weinig gewend! Mijn
moeder wist van het weinige dat er was toch iets bijzonders te maken. Zo
maakte ze nepmarsepein van aardappels en suiker. Of koekjes van havermout,
kunstcacao en kunsthoning."
Niet iedereen was in de
omstandigheden om iets aan de feestdagen te doen. "Daar hadden we
helemaal geen tijd voor. We waren al blij als we voldoende verband hadden
voor onze patiënten", zegt mevrouw E. van Ooijen-Stemker Köster
uit Beek-Ubbergen. Zij was 18 in 1944 en werkte als verpleeghulp in het
noodziekenhuis van Nijmegen. Dat bevond zich in de voormalige SS-bunker
onder de grond, aan de Molenstraat. Het was hard werken om de stroom van
zieken en gewonden in de frontstad te verzorgen.
"En wat we
kregen, kreeg je voor niks: in 1944 heerste er een difterie-epidemie.
Difterie is een zeer besmettelijke vorm van keelontsteking, waarvan de
bacterie gifstoffen aanmaakt die hart, nieren of longen kunnen beschadigen.
Erg gevaarlijk dus. Ik kreeg het ook en kon vier weken niet werken." Nu
worden jonge kinderen daar tegen ingeënt. Mevrouw Van Ooijen was niet de
enige die geen kerst vierde. Hetzelfde gold voor Nina Vermeulen-Soklokowa,
die als Ostarbeiterin uit Rusland was gehaald en gedwongen werd om in een
kamp bij Duisburg in Duitsland te werken. "Kerst vieren? Welnee, dat
ging niet. We wisten niet eens wanneer het kerst of oud en nieuw was, want
we hadden geen idee welke datum het was. We kregen ook geen extra brood of
iets anders. Het was elke dag hetzelfde: onder leiding van de politie naar
de ijzerfabriek van Krupp om te werken en aan het eind van de dag weer terug
naar het kamp, waar je tussen vier muren in de barak zat."
Eén
onbetaalbaar kerstcadeau herinnert mevrouw Van Ooijen uit Beek-Ubbergen
zich: "Ze hielden op met schieten, op eerste kerstdag. Dat was een
verademing! Geen geschiet, geen angst. Toen was het werkelijk even vrede op
aarde."
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.






Sorteer reacties











