Gert Giesbers (831/2) en zijn Steffanie kijken graag naar Love Letters van Linda de Mol. Achterbuurvrouw Johanna Verbeet en haar Anton (66) mogen Linda ook graag zien. Alhoewel zij naar de Duitse versie, naar Traumhochzeit dus, kijken. Want Johanna en Anton wonen weliswaar op luttele meters afstand van Gert en Steffanie; het is daar al wel de Bondsrepubliek Duitsland.
Hun oordeel over het programma van Linda is echter eensluidend: 'Da's moj'. De vrede bleef in het Lagewald bewaard Tussen Groesbeek en Wyler waren en zijn Nederlanders en Duitsers op de eerste plaats elkaars buren
De glooiende hellingen tussen Groesbeek en het Duitse grensplaatje Kranenburg ogen vredig. De rust wordt er slechts verstoord door de enkele keer dat een koe zijn geluk de wereld in loeit. Of door de zeldzame keer dat er een auto over een van de Bweggetjes rijdt, want het is er wel een beetje het einde van de wereld.
Zo'n Bweggetje als het Lagewald bijvoorbeeld. Er wonen vijf Nederlandse families en hun erfafscheiding aan de achterzijde van het huis vormt tevens de landsgrens. De achterburen wonen in het Duitse Wyler, aan de GroSSe StraSSe om precies te zijn.
Gert en zijn Steffanie wonen in een van die vijf huizen. Al sinds mensenheugenis. En achterbuurvrouw Johanna is aan de GroSSe StraSSe geboren en getogen. 'Ach du liever Gott', zegt ze in het grensoverschrijdende dialect dat daar gesproken wordt, 'ik sie (ben) er zeuventig. We weten nie anders as dat we buren sien. As blaage speulden we al samen.'
De mensen in het Lagewald zijn in de eerste plaats buren van elkaar; pas dan komen zaken als nationaliteit aan de orde. Bruiloften worden samen gevierd; bij begrafenissen wordt er samen getreurd.
Dat was voor de oorlog zo.
Dat is nu nog zo.
En tijdens de oorlog bleef de vrede in het Lagewald bewaard.
Op 17 en 18 september 1944 vormden die glooiende hellingen bij het Lagewald een ideale landingsplaats voor de Wacogliders waarmee de 82e Airborne Division materialen aanvoerde.
Toen kwam het 'einde van de wereld' voor enkele maanden in het brandpunt van de belangstelling te staan. Liefst 450 zweefvliegtuigen landden in de weilanden en de akkers. Daardoor kwamen Groesbeek en WylerKranenburg in de frontlinie te liggen, hetgeen er uiteindelijk toe leidde dat Wyler en Kranenburg compleet en Groesbeek voor een groot deel verwoest werden.
Gert stond op die bewuste 17e september buiten en zag de Amerikanen landen.
'Ze vielen hier aan de overkant van de weg en verzamelden zich daar boven op de heuvel', vertelt Gert.
Johanna stond een meter of dertig verderop ook buiten en zag wat Gert zag.
'Ter verdediging werden er gewonde soldaten vanuit het ziekenhuis in BedburgHau aangevoerd', vertelt ze. 'De meesten hadden niet eens een geweer.'
Later kwam de SS. 'Dat waren schmeerlappe', zegt Johanna. 'Ze zouden 'die Nederlanders' wel eens even op gaan ruimen. 'D'r valt niks op te ruimen, dat sien ok Leute', zei mijn vader nog. Maar je durfde niet veel te zeggen hè &'.
De SS ruimde de Nederlanders in ieder geval niet op.
Ze voelden zich op die zonnige dag in september 1944 alletwee opgelucht.
'Omdat we bevrijd werden', zegt Gert 'Omdat het voorbij was', zegt Johanna.
'Al dacht ik wel: 'Waren ze maar wat verderop geland, dan hadden wij niet
zoveel last gehad.' Ze voelden zich, zo bleek later, wat te vroeg opgelucht.
Er volgden nog maanden van felle gevechten; Johanna en Gert werden
geëvacueerd naar Xanten en troffen, toen ze maanden later weer naar huis
mochten, slechts puinhopen aan. Op die puinhopen probeerden ze een nieuw
bestaan op te bouwen.
Waarbij Gert in het voordeel was. 'Wij kregen geld van de wederopbouw', zegt
Gert. 'Zij kregen niks.' 'D'r was ook niks', schokschoudert Johanna. 'D'r
was nog geen dakpan te krijgen. Ja, de boeren, die konden wel van alles
krijgen als ze geslacht hadden. Als je maar een ham op tafel kon leggen, dan
bleek er ineens van alles te zijn. Maar voor gewone mensen was er niks.'
Aan Nederlandse kant werd er wit of bruinbrood uit de voedselpaketten gegeten nadat het krijgsrumoer was opgetrokken. Aan de GroSSe StraSSe werd er op maïsbrood gekauwd. 'Dat brood voerde je normaal aan de paarden', zegt Gert.
Dankzij de buren én dankzij de Nederlandse grenswacht ' 'moeten julle dát eten&' ' smeerden ze aan de GroSSe StraSSe met enige regelmaat ook 'gewone' boterhammen in die moeilijke naoorlogse periode. In die periode waarin de regio Kleef door hongersnood geteisterd werd en het Zwitserse Rode Kruis te hulp moest schieten om te voorkomen dat de uit vrouwen, kinderen en oude mannen bestaande bevolking een tweede tol zou betalen voor de waanzin van de politiek.
Gert en de rest van Nederland werden op 10 mei 1940 bij die waanzin betrokken. Hij had gepakt en gezakt klaargestaan om in dienst te gaan. De Wehrmacht bleek echter sneller. 'Die zat al in Nijmegen. Ik kon niet meer weg', zegt Gert.
Albert van de Poll, enkele huizen verderop, had nog wel weggekund. Hij was de eerste uit de buurtschap die sneuvelde. Tijdens de verdediging van zijn vaderland.
In het Lagewald was er aan beide zijden van de grens verdriet. Omdat Albert van iederéén een buurjongen was. En wat betekenen begrippen als vaderland in een streek waarin van oudsher dezelfde taal (het platt) gesproken wordt, maar waar niettemin de geschiedenis een landsgrens doorheen legde&
In 1938 werd het Lagewald voor de eerste keer met de actuele Weltpolitik geconfronteerd. Op de erfafscheiding tussen de tuinen werd in 1938 op gezag van de Duitse overheid prikkeldraad geplaatst. 'Wel drie meter hoog', weet Gert nog.
Scherpe punten prikten in de ziel van het Lagewald.
Gelukkig stond er in de tuin van Johanna een schuurtje: de achtermuur van het schuurtje maakte deel uit van de prikkeldraadversperring. 'Als we dan iets bij Gert uit de winkel wilden hebben, reikte hij dat door dat raampje aan', vertelt Johanna.
Korte tijd later knipte Gert gewoon een gat in het prikkeldraad. Ze moesten toch naar de kerk kunnen& En die stond aan de andere kant van het hek.
En Johanna moest op de dag van haar Eerste Heilige Communie toch even naar de moeder van Gert kunnen glippen. Want die had gezegd: 'As ge uut de kerk komt, dan motte efkes komme.' Een goeie buur is nu eenmaal beter dan een verre naziregering.
'Link& Viel wel mee', zegt Gert. 'De commiezen, die ons moesten controleren, hadden ook honger. Dan kwamen ze boodschappen bij me doen zonder te betalen.
Tja, als ze ons dan zagen aan de 'verkeerde kant' van het prikkeldraad, keken ze natuurlijk even de andere kant op.'
Na 10 mei 1940 werd er niet meer zo gemakkelijk de andere kant op gekeken.
Als de Nederlanders uit de kerk kwamen en er liepen commiezen in de GroSSe StraSSe, werden ze door hun Duitse buren mee naar binnen genomen, totdat het gevaar geweken was.
'Het moest allemaal stiekemer. Je kon niet meer zomaar bij elkaar in en uitlopen', zeggen ze.
Ondertussen nam de geschiedenis haar loop en eiste de oorlog zijn tol. In elk huis aan de GroSSe StraSSe bleef er na verloop van tijd wel een plek aan de tafel leeg, doordat een vader of een zoon in het grijs van de Wehrmacht sneuvelde.
Later, toen Hitler ook de jongens van zestien en zeventien jaar opriep, bleven er nog meer plekken leeg. 'Nee, onderduiken was niet mogelijk', vertelt Johanna. 'Behalve op het laatst. Mijn broer kreeg een oproep van de Wehrmacht toen we al naar Xanten geëvacueerd waren. Moet je nagaan: de Britten zaten al in Uedem. Hij werkte bij een weduwe, die met zes kinderen op de boerderij was achtergebleven nadat haar man gesneuveld was. 'Blijf jij maar mooi hier', zo hield de boerin hem thuis.'
Die nacht namen de Engelsen Xanten in. Johanna's broer kwam een paar dagen later om het leven toen hij buiten naar een geallieerde luchtaanval stond te kijken.
Na 1945 hadden jonge mannen in WylerLagewald de Nederlandse nationaliteit.
Het gewone leven hernam er niettemin langzaam zijn loop. Als iemand hulp nodig had dan kreeg hij die, zo mogelijk van zijn buren. Want in het Lagewald hadden wrok of vijandelijke gevoelens zich niet kunnen nestelen.
Wat zou men elkaar ook te verwijten hebben gehad&
Zoals gezegd zijn de mensen in het Lagewald in de eerste plaats buren van elkaar; pas dan komen zaken als nationaliteit aan de orde.
Anno 1994 staan de mensen er niet anders tegenover elkaar dan in 1944: 'We komme mit de minsen uut de buurt goed klar' Al blijft Johanna het niet eerlijk vinden dat de Duitsers na de oorlog hun akkers op Nederlandse bodem kwijtraakten. 'Wij hadden ook grond in Groesbeek.
Die is ons afgenomen. Daar hebben we nooit iets voor gekregen. In het kader van het Verenigde Europa zou dat toch rechtgetrokken moeten worden&'
Over een Verenigd Europa gesproken: Gert voelt zich Nederlander, zoals Johanna zich Duitse voelt.
Maar niettemin wordt de Europese gedachte in het Lagewald al decennia lang gepraktiseerd. Terwijl de Tweede Wereldoorlog en tegenwoordig ook voetbalwedstrijden voor nogal wat Nederlanders aanleiding lijkt te zijn om een soort Duitslandhaat te cultiveren, heeft die oorlog in het Lagewald niet tot verstoorde verhoudingen tussen de mensen geleid.
Op verjaardagen en bruiloften heffen ze samen het glas.
'Proost hè.' 'Ja, Prosit'.
In het Lagewald respecteert men elkaar.
Omdat ze elkaar kennen.
In het Lagewald heerst geen negatief Duitslandbeeld, zoals dat elders wel voorkomt. Naarmate je verder van de grens verwijderd raakt, lijkt dat negatieve beeld sterker te worden. Onbekend maakt nu eenmaal onbemind.
Maar in het Lagewald zouden ze het nog niet zo'n gek idee vinden als Linda de Mol het programma 'DroomHochzeit' zou gaan maken. Een progamma waarin bijvoorbeeld een Nederlandse jongen met een Duits meisje trouwt.
'Ja, da's moj.'
Dit verhaal verscheen op 10 september 1994 in De Gelderlander bij gelegenheid van de vijftigste herdenking van de operatie Market Garden.
© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.















